Zwijgrecht pers onduidelijk

De zaak Koen Voskuil, die volgende week in hoger beroep wordt behandeld, maakt duidelijk dat het zwijgrecht voor journalisten niet goed geregeld is.

Voor artsen, advocaten en notarissen is het verschoningsrecht in het Wetboek van strafvordering geregeld. Voor journalisten bestaat een wettelijk geregeld zwijgrecht niet, maar daar komt misschien verandering in.

Toenmalig Tweede-Kamerlid Jurgens (PvdA) kwam in 1993 met een initiatief-wetsvoorstel dat daar wel in voorziet. Het was indertijd een heel eind gevorderd in de schriftelijke voorbereiding maar verzandde in de loop der jaren. Jurgens vertrok in 1994 en droeg het voorstel over aan zijn collega Van Traa, die eerst zijn handen vol had aan de IRT-affaire en later bij een auto-ongeluk omkwam.

,,In vrijwel alle landen om ons heen is zo'n wetsvoorstel van de baan als je als indiener het parlement verlaat, maar bij ons niet'', zegt Jurgens vanuit Straatsburg, waar hij op het ogenblik bij de Raad van Europa is. Intussen heeft Kamerlid Wagenaar zich over het wetsvoorstel ontfermd, maar zij vindt het behoorlijk achterhaald. ,,Bovendien moeten we wel beseffen dat er nooit een meerderheid voor is geweest, al lijkt daar nu een kentering in te komen''.

Dat het wetsontwerp voorlopig in een la verdween, valt te verklaren uit het zogeheten Goodwin Arrest, dat eind maart 1996 werd gewezen door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EVRM) in Straatsburg. De Britse journalist Goodwin had financiële gegevens publiek gemaakt van een onderneming die daardoor in de problemen kwam en moest op last van de rechter zijn bronnen prijsgeven. In het Goodwin Arrest bepaalde het Hof later dat de bescherming van journalistieke bronnen valt onder artikel 10 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, dat de vrijheid van meningsuiting veilig stelt. In beginsel hoeft een journalist zijn bron dus niet te onthullen, ,,tenzij er sprake is van een overwegend algemeen belang, noodzakelijk in een democratische samenleving, om dat wel te doen''. Twee maanden later wees de Hoge Raad in Nederland een vergelijkbaar arrest in een zaak van twee Limburgse journalisten en was daarmee `om' vergeleken met een arrest uit 1977.

Door het Goodwin Arrest is Jurgens initiatief achterhaald, maar volgens Wagenaar is nu belangrijker dat er een `aanbeveling' van de raad van ministers van de Raad van Europa ligt, waar dus ook de handtekening van minister Korthals (Justitie) onder moet staan. De bewindsman leek overigens tamelijk verrast toen Wagenaar hem daar eerder deze week op wees. ,,Die aanbeveling gaat heel ver en vult duidelijk en gedetailleerd veel in. Ik hecht er aan dat de minister er echt iets mee doet, vooral ook om aan Oost-Europese landen met een prille democratie een duidelijk signaal te geven hoe een vrije journalistiek dient te functioneren'', aldus Wagenaar. ,,Wat mij betreft is de minister dus nu aan zet.''

Probleem is nog wel wie zich wel en niet journalist kan of mag noemen. Wagenaar: ,,Daar moet je je als politicus nooit over uitlaten, want het is juist de journalistiek die de machtshebbers controleert. Dat is dus een zaak voor de beroepsgroep zelf.''

Intussen is het de vraag of beeldmateriaal ook onder de bronbescherming kan worden begrepen. In het wetsvoorstel van Jurgens is dat in elk geval wel zo. Maar een `bron' die een journalist informatie toevertrouwt is iets anders dan een relschopper die op straat wordt gefotografeerd. Op Europees niveau wordt er bij de uitleg van het Goodwin Arrest van uitgegaan dat journalistiek materiaal daar inderdaad onder moet vallen.

Maar in Nederland laat de rechtbank een dwangbevel om televisie-banden in beslag te nemen, afhangen van de ernst van de misdrijven die daarop te zien zijn. Dit blijk uit verschillende uitspraken in het verleden. Volgens Wagenaar is het dan ook zaak dat Korthals de Europese aanbeveling snel in wetgeving `codificeert'.