Xenophon in een moerasland

Een van de bekendste Italiaanse resistenza-romans is het vlak na de Tweede Wereldoorlog gepubliceerde Mens of niet van Elio Vittorini. Hoewel het de daden van een aantal verzetsstrijders beschrijft, kun je het - paradoxaal genoeg - amper een verzetsroman noemen. Het is veeleer een onderzoek naar de grenzen van de ethiek én de literatuur. Ook voor verscheidene andere als verzetsliteratuur gerubriceerde romans, zoals Het pad van de spinnennesten van Calvino en Het huis op de heuvel van Pavese, geldt dat ze zich in grote mate onttrekken aan het etiket dat ze opgeplakt kregen.

Anders is het gesteld met de onlangs pas in het Nederlands vertaalde klassieker Agnese moest sterven (1949) van de schrijfster Renata Viganò. Het ondeugend dartele taalgebruik en de morele nuanceringen die je bij Vittorini aantreft ontbreken hier te enen male. Rechttoe rechtaan, met enigszins plichtsgetrouw proza doet Viganò, die tijdens de oorlog de medische eenheid van een partizanenbrigade leidde, verslag van de activiteiten van haar kameraden in het moerasland tussen Ravenna en Ferrara. Goed en kwaad gaan geen mefistofelisch pact aan in haar roman. De partizanen hebben `het hart op de goede plaats' en de Duitsers zijn steevast `onmenselijk', met `smalle, wrede ogen' en een `hart van steen', die als `marionetten' wreedheden begaan. Minder sjabloonachtig worden de geallieerden beschreven: zij zijn de bevrijders die eindeloos op zich laten wachten en volstrekt willekeurig hun bommen laten vallen. Hoe dan ook, Agnese moest sterven is in de eerste plaats een boeiend tijdsdocument en dan pas als literaire schepping de moeite waard. Daarnaast fungeert de roman als ode voor al die eenvoudige maar onverschrokken en onbaatzuchtig strijdende mensen, van wie de oude, dikke wasvrouw Agnese er een is.

Op het moment dat Agneses kat niet langer een imposant `brok steen' is, maar een `afgedankt zwart vod', neergeknald door een verveelde nazi, verandert alles in het bestaan van de 50-jarige vrouw. Met een geweerkolf verbrijzelt ze de hersens van de Duitser, `net zoals zij altijd de grote lakens, loodzwaar van het water, op het plankier van de wasplaats sloeg.' Ze vlucht en sluit zich aan bij de partizanen. Ze kookt eten voor ze, wast hun kleren, breit sokken, sjouwt met manden vol munitie of voedsel en ten slotte organiseert ze de koeriersdienst tussen de clandestiene `kazernes' van de verzetsstrijders. Onbewogen voortstappend in haar sloffen, ongegeneerd spugend en geeuwend, doet zij wat haar gevraagd wordt en zet elke dag haar leven op het spel. Ze is een vrouw van weinig woorden, stug, en daardoor niet ongelijk aan het monument dat Viganò voor haar heeft opgericht. Zij eindigt als haar kat, als `een hoopje zwarte vodden', neergemaaid door een nazi - en daarmee eindigt ook het boek.

Toch is de blik van de verteller niet uitsluitend gericht op de krachtdadige Agnese. Aanvankelijk draalt de verteller met monotoon voortkabbelende beschrijvingen rond haar, maar naar het einde toe verwijdt zijn aandacht zich en raken de gebeurtenissen in een stroomversnelling. Onbetwist hoogtepunt van het boek is het bloedstollende verslag van de vergeefse en barre tocht van een compagnie partizanen naar bevrijd gebied. Onder leiding van een steeds onzekerder gids trekken ze door een met sneeuw doordesemde nacht en verstijfd van de kou, verdoold komen ze in een mijnenveld terecht. Uiteindelijk, na urenlang zwalken in een `woestijn van ijs' geraken ze weer op het punt vanwaar ze vertrokken waren. Deze tocht heeft mythische dimensies en doet denken aan de door Xenophon in Anabasis beschreven expeditie van Griekse huurlingen. Viganò schetst in deze episode niet alleen een voortreffelijk beeld van de ontberingen van de partizanen, maar de kale zinnen evoceren ook een sfeer die een wurgende impact heeft.

De plaats van handeling in dit boek is vrijwel identiek aan het strijdtoneel van Viganò's partizanen. Modder en mist regeren dit desolate niemandsland van weteringen, legakkers, trekgaten, rietkragen, wallen, greppels en kreken. In dit `labyrint van brak water' en bagger strijden de partizanen niet alleen tegen de Duitsers en de fascisten, maar ook tegen de elementen. In de `ruisende regen' of onder een `beukende zon' leggen ze talloze kilometers af met zwaarbeladen fietsen of krakende roeiboten. Zweetlucht en miasma wasemen de lezer tegemoet. Viganò vergelijkt het moerasland met een rouwkleed en de mist met een lijkwade. Het zijn beelden die beklijven, juist omdat de schrijfster zo spaarzaam is met metaforen.

Ondanks de afwezigheid van stilistische brille maakt het lapidaire proza van Viganò indruk en is de late vertaling van deze resistenza-klassieker dus alleszins gerechtvaardigd. De vertaling zelf maakt het proza van de roman echter af en toe nog plomper dan het Italiaans al is. Soms is dat onvermijdelijk, bijvoorbeeld wanneer het persoonlijk voornaamwoord `zij' enige malen herhaald wordt aan het begin van de zinnen terwijl het Italiaans kan volstaan met enkel het werkwoord en daardoor dus gevarieerder klinkt. Maar in andere gevallen had de vertaalster wel degelijk de mogelijkheid die onbeholpen aandoende opeenvolging van identieke woorden (`Ze hadden een mooie boerderij (-) ze hadden niets of niemand nodig, ze hadden zich overal rustig buiten kunnen houden, hadden zaken kunnen doen') te vervangen door een wat elegantere oplossing. Een andere smet op de overigens niet onaardige vertaling is dat de vertaalster zich soms vergist in het gebruik van overgankelijke en onovergankelijke werkwoorden, zodat licht uit zichzelf kan dimmen, regen sneeuw wegsmelt en wind sneeuw `omhoogwervelt'.

Renata Viganò: Agnese moest sterven. Uit het Italiaans vertaald door Aafke van der Made.

Serena Libri, 293 blz. ƒ39,90