Win-filosofie

In de straten van Athene vertelde een Griekse filosoof mij deze zomer over een belangrijk aspect van de klassieke Spelen: na een overwinning dankte de winnaar de verliezer voor zijn deelname aan de wedstrijd. Alle aandacht ging in eerste instantie dan ook uit naar degene die het onderspit had gedolven. Niet om nog een schop na te geven, maar om de waarde van de winnaar op zijn reële waarde te schatten.

Het principe is simpel: winnen zonder tegenstander is onmogelijk. De krachten kunnen pas worden gemeten als er minimaal één andere deelnemer is. Abstracte begrippen als schoonheid, kracht en winst krijgen pas waarde in relatie tot hun omgeving. Iets is mooi, als er ook objecten bestaan die dat niet of minder zijn. Daarom is een overwinning pas mogelijk, als er iemand is die niet heeft gewonnen. Door de verliezer expliciet te danken voor zijn deelname aan de strijd, was iedereen zich daarvan bewust. In de moderne sport is echter alleen maar aandacht voor de winnaar en vergeten we deze onderlinge relatie. Dat terwijl deze `win-filosofie' steeds belangrijker wordt met de schaalvergroting van de sport. Want winnen op mondiaal niveau geeft meer waarde omdat er meer tegenstanders zijn verslagen.

Het verschil tussen een makkelijk bevochten zege op een dorpskampioenschap en een zenuwslopende strijd voor een wereldtitel zal iedereen begrijpen. Hoe meer verliezers, hoe groter de winst. De belangen in en rond de sport groeien snel en de kampioenen komen dus steeds meer in aanzien. Het belangrijkste principe in de sport wordt daarom vergelijkbaar met dat in de economie: rijkdom is geconcentreerde armoede.