Vermoorde onschuld van de keizer

In Nederland liepen de emoties in de jaren zeventig onder overlevenden van de `Jappenkampen' hoog op over een staatsbezoek van keizer Hirohito. Was hij een marionet van zijn militairen geweest, of een `Aziatische Hitler'? In een diepgravende nieuwe studie krijgt de keizer er ongenadig van langs.

Kort na de Japanse nederlaag liet de Amerikaanse opperbevelhebber van de bezettingsmacht, generaal Douglas MacArthur, zich fotograferen met keizer Hirohito: hoog torent de nonchalante, machtige Amerikaan uit boven de stijve, ongemakkelijk poserende keizer. Ondanks protesten van de Japanse elite werden alle kranten verplicht de foto af te drukken. Voor de verslagen bevolking was het beeld van deze al te menselijke keizer schokkend. Al snel circuleerde een grap gebaseerd op de klankgelijkenis tussen het keizerlijke `Wij' (chin) en een kinderwoord voor penis (o-chinchin): Waarom is MacArthur de navel van Japan? Omdat hij boven de penis uit torent.

Keizer Hirohito viel in 1945 ongenadig van zijn voetstuk. Het `goddelijke Japan' was niet onoverwinnelijk gebleken. Miljoenen Japanners hadden voor niets hun leven gegeven. Bijna zeventig steden waren platgebombardeerd, de overlevenden zwierven als hongerige schaduwen door de geblakerde puinhopen. Maar Hirohito bleef zitten waar hij zat, alsof er niets was gebeurd. Een aantal hoge militairen werd door de overwinnaars naar het schavot gevoerd. Zíj zouden schuldig zijn geweest aan de oorlog, niet de keizer.

Vooral in het Westen is het debat sindsdien niet stilgevallen over de vraag of Hirohito niet toch een tweede Hitler was geweest, in plaats van een ceremonieel staatshoofd dat machteloos moest toezien hoe losgeslagen militaristen zijn land naar de afgrond leidden. In Nederland laaide het debat hoog op toen Hirohito begin jaren zeventig op staatsbezoek kwam. Cabaretier Wim Kan attaqueerde de keizer fel met zijn Railroadliedje, over zijn tijd als dwangarbeider aan de Birma-spoorweg. Olie werd nog op het vuur gegooid door het omstreden Japan's Imperial Conspiracy (1971) van de Amerikaan David Bergamini, die een `keizerlijk complot' achter de oorlog zag. Het boek is bekritiseerd door Rudy Kousbroek en overigens door wetenschappers als de hier besproken auteurs altijd genegeerd. Hirohito's bezoek aan Nederland zou uiteindelijk worden opgeschrikt door kleine incidenten zoals een voorwerp dat tegen de voorruit van de keizerlijke limousine vloog.

Sinds Hirohito's dood tien jaar geleden is een schat aan nieuwe informatie over zijn rol in de oorlog naar boven gekomen en het resultaat van Japans onderzoek begint nu ook in westerse talen beschikbaar te komen. Om met de conclusie te beginnen: Hirohito was niet de onschuldige, wereldvreemde bioloog die na de oorlog door zijn apologeten van hem is gemaakt. Herbert Bix en Peter Wetzler maken overduidelijk hoe concreet Hirohito betrokken was bij de oorlogsvoering en zich tot in details bemoeide met militaire planning. Maar een keuze tussen `tweede Hitler' of `machteloos ceremonieel staatshoofd' bij karakterisering van zijn rol is te beperkt. Het enige dat werkelijk telde voor Hirohito, stelt Wetzler, was het voortbestaan van Japans heilige keizerlijk huis. Zijn dode voorvaderen waren belangrijker dan zijn levende onderdanen.

Wetzler en Bix zijn beide hoogleraar japanologie. De eerste doceert in Ludwigshafen, terwijl Bix is verbonden aan de prestigieuze Hitotsubashi Universiteit in Tokio en zodoende dus in dienst is van de Japanse overheid. Ze kennen hun vak en citeren uitgebreid uit oorspronkelijke bronnen en het werk van hun Japanse collegae. Zoals Bix uitdrukkelijk zei bij de presentatie van zijn boek, eind augustus in Tokio: het bevat geen nieuwe onthullingen, maar is een synthese van Japanse onderzoeksresultaten. Bix werk heeft dan ook in Japan zelf geen nieuwe discussie over de rol van de keizer uitgelokt. The Economist noemt het boek desondanks `a historical bombshell'.

Bix vertelt het verhaal van de Tweede Wereldoorlog uit het perspectief van Hirohito om aan te tonen dat de keizer `werkelijke macht en autoriteit' had, en om `de orthodoxie uit te dagen [-] dat Hirohito niet meer dan een boegbeeld was'. Bix klaagt Hirohito aan omdat hij als hoogst verantwoordelijke zijn nek niet durfde uitsteken, al was het maar om oorlogsmisdrijven te voorkomen.

Wetzlers verhandeling is theoretischer en zijn oordeel genuanceerder. Ook Wetzler documenteert de actieve deelname van Hirohito aan militaire planning, maar hij gaat dieper in op de ideologische achtergrond van de keizerlijke positie. Bij zijn eindoordeel stelt Wetzler dat categorieën als `dictator' of `constitutioneel monarch' in de Japanse constellatie niet van toepassing zijn. Voor een goed begrip van Hirohito's gedrag is het noodzakelijk te bedenken dat zijn `grootste verantwoordelijkheid noch politiek, noch militair was, het was het behoud en de ontwikkeling van het keizerlijk huis zelf'. Dat laatste was in Japan ondanks alle retoriek over keizerlijke goddelijkheid geen vanzelfsprekende zaak. Keizers zijn in het verleden `gevangen gezet, verarmd, genegeerd, verbannen en wellicht zelfs vermoord' al naar gelang het de werkelijke machthebbers behaagde, aldus Wetzler.

In de troebele tijd rond de opening van Japan door de westerse mogendheden eind negentiende eeuw schoven opstandige samurais de toenmalige keizer naar voren om een einde te maken aan het bewind van de zittende shogun. Rond die keizer, Hirohito's grootvader Meiji, werd een cultus in het leven geroepen om een tot dusver niet-bestaand Japans nationalisme te creëren. Meiji groeide uit tot een legendarisch figuur in wiens dagen Japan zich via overwinningen op China (1895) en Rusland (1905, de eerste nederlaag van een westerse grootmacht tegen een niet-westers land) onder de imperialistische grootmachten schaarde. Tijdens het bewind van Hirohito's fysiek en geestelijk zwakke vader erodeerde de positie van het keizershuis weer. Parlementariërs wilden meer invloed, boeren kwamen in opstand tegen hun landheren en het communisme verspreidde zich. In 1923 pleegde de zoon van een parlementslid een aanslag op Hirohito. Tijdens zijn rechtszaak wierp de jonge communist Namba de rechter de vraag voor of hij werkelijk geloofde in de goddelijkheid van de keizer, of dat hij dit geloof slechts uit angst verkondigde. De rechter weigerde te antwoorden en Namba werd geëxecuteerd.

Hirohito nam als regent in 1921 het roer van zijn ziekelijke vader over en moest de dagen van zijn legendarische grootvader doen herleven. Kosten noch moeite werden bij zijn troonsbestijging in 1926 gespaard om het volk van zijn grootsheid te overtuigen. De repressie van linkse ideologieën en majesteitsschennis werd verscherpt. Hirohito had een rigide opleiding gekregen waarin militaire training centraal stond: de keizer was immers opperbevelhebber. `De adviesorganen van de keizerlijke staat – kabinet, parlement, keizerlijke adviesraad, generale staf van marine en leger en de bureaucratie waren direct verbonden met de keizer maar geheel gescheiden en onafhankelijk van elkaar', schrijft Bix. De keizer benoemde de premier zonder invloed van het parlement en de regering had op haar beurt geen zeggenschap over het leger. Hirohito zat als een spin in dit web, leunend op de `hofkliek', zoals Bix het aanduidt, `een enclave van privileges en de kern van Japans machtselite.' Deze hofkliek creëerde de `fictie' van een constitutionele monarchie waarachter Hirohito `zijn macht vrijelijk kon uitoefenen en zelfs uitbreiden als de situatie dit mogelijk maakte, terwijl hij geen enkele verantwoordelijkheid hoefde af te leggen'.

Een behulpzame rol speelde daarbij de mythe van de `goddelijkheid' van het keizershuis, die was vastgelegd in de grondwet. Als jonge kroonprins geloofde Hirohito er zelf al niet in, aldus het dagboek van een adjudant. Maar, schrijft Bix, `als het zo uitkwam gebruikte hij zulke mythes om zijn gedrag te rationaliseren, de macht van het keizerlijk hof tegenover andere elites in het heersende blok te versterken en om zich buiten elke politieke en wereldlijke verantwoordelijkheid te plaatsen.' Het ontwijken van verantwoordelijkheid is Hirohito's levensverhaal.

De orthodoxe kijk op de oorlog, zoals door de Amerikanen verkondigd, wil dat Japan in de jaren dertig werd `gekaapt' door militairen en dat Hirohito over hen nu eenmaal geen macht had. Maar Hirohito nam in werkelijkheid sinds zijn aantreden als regent actief deel aan de militaire planning, waarin begin jaren twintig al rekening werd gehouden met oorlog met de Verenigde Staten om de natuurlijke rijkdommen in Azië. In de jaren dertig raakte Japan gevangen in de eigen ideologie van keizerlijke goddelijkheid en superioriteit van het gehele Japanse volk. Inderdaad gingen fanatieke militairen toen eigen initiatieven ontplooien, met name bij de expansie in Mantsjoerije in 1931. Hirohito had kunnen ingrijpen, meent Bix, maar keurde achteraf de feitelijke insubordinatie van de militairen goed. De reden was dat hij zo zijn eigen problemen met de militairen kon exporteren. Zolang ze zich uitleefden in het buitenland, konden ze thuis geen heibel maken. Toen jonge militaire heethoofden zich in 1936 met een staatsgreep tegen zijn bestel keerden – om de keizer te `bevrijden van zijn slechte adviseurs' - wist hij wel degelijk in te grijpen. Onmiddellijk gaf hij de legertop het bevel om `onze troepen' tot de orde te roepen. De leiders van deze insubordinatie werden geëxecuteerd. Zulke momenten van daadkracht waarin hij persoonlijk risico nam zijn echter schaars.

Hirohito was geen leider met een uitgesproken visie op de internationale verhoudingen en de plaats van Japan daarin. Zijn leger rukte succesvol op in Mantsjoerije en hij keurde het goed. In 1937 meende het leger de voortdurende Chinese weerstand te moeten neerslaan met een genadeklap in centraal-China en weer keurde hij het goed. Jaren later zou hij kritiek leveren dat de beloofde snelle overwinning wel erg lang uitbleef. Toen het antagonisme tussen de VS en Japan groeide over de Japanse oorlog in China, Japan Frans Indo-China bezette en Amerika een handelsembargo afkondigden, zei Hirohito twee maanden voor Pearl Harbour tegen zijn belangrijkste adviseur: `Er is in de huidige situatie weinig hoop voor de Japans-Amerikaanse onderhandelingen. Als er nu vijandelijkheden uitbreken zal ik, denk ik, de oorlog moeten verklaren.' Tien dagen later vroeg hij zijn premier, generaal Hideki Tojo: `Wat ga je doen om een rechtvaardiging te geven [voor de oorlog]?'

Ook na Pearl Harbour bleef Hirohito zich met de oorlogsvoering bemoeien. Tijdens de slag om het eiland Saipan in 1943 waarschuwde hij Tojo: `Als we Saipan verliezen zullen luchtaanvallen op Tokio volgen. Koste wat kost moeten we daar stand houden.' Bix schrijft: `Ook al informeerden zijn chefs van staven hem twee dagen lang dat de situatie op Saipan hopeloos was geworden, Hirohito negeerde hun advies en gaf [admiraal] Shimada bevel het eiland te heroveren.' De episode is typerend voor Hirohito, meent Bix: `Geconfronteerd met een zekere nederlaag, zette hij zijn hakken in het zand en weigerde het te accepteren.'

Bix geeft Hirohito er genadeloos van langs omdat hij de machtigste man van Japan was, maar elke verantwoordelijkheid voor zijn daden weigerde. Wetzler onderstreept dat, ook al droeg Hirohito verantwoordelijkheid voor de oorlog als lid van een vaag `collectief leiderschap', zijn primaire belang lag in het voortbestaan van zijn eigen keizerlijke huis. Alles daarbuiten, alles waar Bix zich over opwindt, was volgens Wetzler voor Hirohito van ondergeschikt belang. In die zin is Hirohito een uiterst succesvol monarch geweest, want ook de Amerikanen wist hij perfect te bespelen. Generaal Tojo ging na de oorlog aan de galg, terwijl de keizer bleef zitten.

Veel Japanners waren daar woedend over, valt te lezen in John Dowers prachtige boek Embracing Defeat over de chaotische en enerverende naoorlogse jaren in Japan. Dower is hoogleraar aan het Massachussets Institute of Technology. Hij maakte naam met de studie War without Mercy waarin hij een ontluisterend beeld gaf van racisme en wandaden aan Japanse èn Amerikaanse zijde tijdens de strijd in de Stille Oceaan. Zijn nieuwe, inmiddels met een Pulitzer Prize bekroonde werk behandelt de schok van de nederlaag in Japan, de nieuw gevonden vrijheid (de grap aan het begin van dit stuk) en de contradicties van het Amerikaanse bestuur zoals `verplichte democratisering'. Ook besteedt hij ruime aandacht aan minder bekende details zoals de totale plundering van overheidskas en legervoorraden door de elite direct na de overgave. Zo werd `structurele corruptie een hoeksteen van de naoorlogse politieke economie'. Tegelijkertijd zette deze elite bordelen op voor Amerikaanse soldaten die onderweg waren naar Japan en ongetwijfeld anders aan het verkrachten zouden slaan.

Voor het naoorlogse `keizerprobleem' citeert Dower uitvoerig het dagboek van de gedemobiliseerde soldaat Kiyoshi Watanabe, die begin 1946 tot de conclusie kwam dat er maar één richtlijn overblijft na het voorbeeld van de keizer: `Wat we ook hebben gedaan, het is niet nodig verantwoordelijkheid af te leggen want zelfs de keizer hoeft dat niet.' Watanabe stuurde de keizer een cheque voor het salaris dat hij in de loop der jaren had ontvangen. De slotzin van de begeleidende brief: `Nu ben ik je niets meer schuldig.'

Het aanblijven van Hirohito was slechts mogelijk dankzij Douglas MacArthur. Net als Hirohito was hij ervan overtuigd dat de Japanners kinderen waren die niet zonder hun keizer konden. Als een volleerde shogun (Dower spreekt dan ook over de `Japanisering van de Amerikanen', ook al dachten de Amerikanen dat ze met het tegenovergestelde bezig waren) wilde hij de keizer gebruiken voor zijn eigen machtsuitoefening. Eendrachtig gingen MacArthur en Hirohito aan de slag om de geschiedenis te herschrijven en Hirohito's rol weg te poetsen in de rechtszaken tegen oude machthebbers in het Tokio Tribunaal.

Bix beëindigt zijn boek met de conclusie dat de keizer ook in de toekomst een manipuleerbaar instituut blijft voor de leiders van het land. `Een cruciaal punt voor Japan in het komende millennium is de vraag of zij dat op dezelfde manier zullen doen als hun voorgangers – om het verdiepen van democratie en het geven van macht aan de burgers te voorkomen.' Onder de misleidende vlag van `Liberaal Democratische Partij' zijn de naoorlogse leiders de directe erfgenamen van de conservatieve vooroorlogse kliek die dankzij de Amerikanen aan de macht is gebleven. Premier Yoshiro Mori toonde de bestendigheid van vooroorlogse ideeën met zijn uitspraken dit voorjaar dat Japan het `land der goden is met de keizer als middelpunt', en met de vraag of de kokutai wel was te beschermen als de communisten in een coalitieregering plaats zouden nemen. Kokutai is de vooroorlogse term voor `nationaal systeem', oftewel: het keizershuis en de bijbehorende ideologie.

De uitspraken van Mori en de sterker wordende revisionistische beweging om de oorlog te zien als een noodzakelijke strijd voor de overleving van Japan en de bevrijding van Azië, geven in dit opzicht geen hoop voor de toekomst. Net als andere recente ontwikkelingen: het gebruik van oude religieuze riten bij de troonsbestijging van Akihito in 1990, de uitbreiding van politiemacht, het verplichte gebruik van volkslied en nationale vlag op scholen, en pogingen tot `normalisering' van de Zelfverdedigingsmacht (een eufemisme voor het grondwettelijk verboden leger). Al deze ontwikkelingen doen sterk denken aan de campagne in de jaren twintig om Hirohito's verzwakte troon te versterken, zoals beschreven door Bix. Tegen die achtergrond zijn ook de hedendaagse felle protesten van een kleine groep intellectuelen goed te begrijpen.

Een van de best verkochte boeken in naoorlogs Japan was een bundel nagelaten brieven en dagboekfragmenten van studenten die als soldaat waren omgekomen. Dit boek (de `geestelijke bron van de naoorlogse vredesbeweging' zoals de inleiding stelt) is nu in Engelse vertaling verschenen onder de titel: Listen to the Voices from the Sea. Het laatste fragment is geschreven door de jonge soldaat Hisao Kimura die in 1946 in Singapore wachtte op zijn executie als oorlogsmisdadiger. Hij meende onschuldig te zijn, een zondebok voor wandaden van zijn officieren, maar schreef desondanks in zijn laatste eenzame dagen aan zijn ouders: `De woede van de wereld is goed te begrijpen als ik denk aan de talloze onredelijke daden en onrechtvaardigheden die Japan in het verleden heeft gepleegd. Daarom zal mijn dood een bron van emotionele verlichting zijn voor de gehele mensheid. [-] Japan zal onvermijdelijk in chaos vervallen, maar dat is in orde. De dag zal komen dat elk systeem, of het nu marxisme is of liberalisme, diepgaand wordt bestudeerd en tot de fundamenten geanalyseerd. Ik geloof dat Japans werkelijke groei vanaf dat punt zal beginnen.'

Waren de machtigen in naoorlogs Japan maar zo wijs en zelfverzekerd geweest als deze jonge, ten dode opgeschreven soldaat. De `diepgaande analyse van elk systeem' heeft nooit plaatsgehad. MacArthur was net zo bang voor chaos en communisten als Hirohito en handhaafde krampachtig de conservatieve kliek. De kokutai, het keizershuis en de bijbehorende ideologie van Japanse uniciteit, hangt nog altijd als een gifwolk boven het land.

Herbert Bix: Hirohito and the Making of Modern Japan. HarperCollins. 800 blz. ca. ƒ100,- (geb.)

Peter Wetzler: Hirohito and War. Imperial Tradition and Military Decision Making in Prewar Japan. University of Hawaii Press. 295 blz. ƒ94,50 (geb.)

John Dower: Embracing Defeat. Japan in the Wake of World War II. W.W. Norton & Co. 676 blz. ƒ81,60 (geb.) ƒ45,10 (pbk)

The Wadatsumi Society: Listen to the Voices from the Sea. University of Scranton Press. 344 blz. ca. ƒ90,-