Vaderlandse laatbloeier

Annie M.G. Schmidt was bang dat ze niet meer aan de man zou komen. Op haar 36ste had ze een paar affaires achter de rug, en ook scharrelde ze wel eens wat met deze of gene collega van Het Parool, waar ze documentaliste was, maar nu verlangde ze naar een serieuze relatie. In het geestverwante weekblad De Groene Amsterdammer van 20 september 1947 stond zodoende deze advertentie: `Jonge, vlotte vrouw, 33 jr., kunstzinnig, muzikaal, met literaire belangstelling, zoekt vriendschappelijk contact m. intellectueel, omstr. 40 j., links georiënteerd, m. veel gevoel v. humor.' De afzendster had zichzelf drie jaar jonger gemaakt.

Tussen de vijf brieven die ze ontving, bevond zich een veelbelovende reactie van de chemicus Dick van Duijn, met wie Annie Schmidt vervolgens haar leven deelde. Ze zijn nooit getrouwd, al was het maar omdat Van Duijn nooit van zijn eerste vrouw scheidde. In hun eerste jaren mocht zelfs niemand iets van hun verhouding weten, want hij woonde nog thuis. Ze hadden geheime ontmoetingen en schreven elkaar zo'n honderd brieven. De meeste daarvan zijn helaas niet bewaard gebleven, schrijft Hans Vogel in de biografie Wacht maar tot ik dood ben, die gisteren ten doop is gehouden.

Het is dan ook zuur, dat vorige week het tegendeel aan het licht kwam. In de nalatenschap van zijn moeder heeft Flip van Duijn onverwachts `enkele tientallen liefdesbrieven' uit die periode teruggevonden. Zijn vondst is ter beschikking gesteld van de journaliste Annejet van der Zijl, die in 2002 bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar een biografie over Annie M.G. Schmidt hoopt te publiceren. Dat wordt, na de vorig najaar verschenen studie Doe nooit wat je moeder zegt van Joke Linders en het werk van Vogel, het derde boek sinds de dood van de populairste schrijfster van het land.

,,Wacht maar tot ik dood ben', zei Annie Schmidt toen Hans Vogel, redacteur van Het Parool, haar voorstelde een biografie te schrijven. Niettemin werkte ze bereidwillig mee aan zijn vooronderzoek. Ze liet zich vele malen door hem interviewen en haalde ook enthousiast herinneringen op tijdens een groot aantal etentjes die Vogel organiseerde met haar vrienden en kennissen. En na haar dood, in 1995, kreeg hij van Flip van Duyn inzage in de paperassen die ze, goeddeels ongeordend, achterliet. Hans Vogel stierf echter in april 1999 en liet een onaf boek na. Dit materiaal is vervolgens door Hans van den Bergh `bewerkt'. Meer informatie over diens werkwijze ontbreekt. Het boek staat op naam van Vogel, maar op elke pagina blijft de vraag wie hier aan het woord is - en wie het hier telkens zo gemeenzaam over `Annie' heeft: Vogel of Van den Bergh.

Over de globale levensloop van Annie Schmidt, geboren in 1911, is al heel wat bekend: hoe ze opgroeide in een Zeeuws domineesgezin, dat ze debuteerde met een paar zangerige gedichten en bibliothecaresse werd, hoe ze kort na de bevrijding op de documentatie-afdeling van Het Parool kwam werken en daar, als 36-jarige laatbloeier, opeens een op alle fronten actieve schrijfster werd. Wacht maar tot ik dood ben slaat die hele voorgeschiedenis over en begint in 1947. Van den Bergh schrijft in zijn inleiding, dat de jeugdherinneringen van Annie Schmidt zelf (in 1992 verschenen onder de titel Wat ik nog weet) niet te overtreffen zijn. Dat is een boude stelling; ze zijn inderdaad geestig, puntig en evocatief, maar voor een biograaf bevatten ze volop aanleiding om lijnen naar later te trekken. Ook kwam Vogel niet toe aan de jeugdliteratuur; daarvoor verwijst zijn bewerker naar de dissertatie van Joke Linders (besproken in Boeken 26.11.99)

Dit is dan ook een onvolledig boek. Het gaat, zoals in de ondertitel staat, vooral over haar leven en het werk voor theater, radio en tv. Jip en Janneke worden als terzijde vermeld, Abeltje vliegt in een bijzin voorbij en Minoes komt alleen even ter sprake, omdat Annie Schmidt eerder al voor de firma Venz het hoorspelserietje Ibbeltje schreef, waarin eveneens een dame voorkomt die vroeger een kat is geweest. Verder moeten we Linders er maar op naslaan.

Hier wordt vooral de wordingsgeschiedenis beschreven van de succesvolle radio- en tv-series, toneelstukken en musicals, inclusief veel wel en wee van producenten en acteurs dat lang niet altijd terzake is. Zo vindt Ton van Duinhoven het vreemd dat hij na zijn deelname aan het journalistencabaret De Inktvis, waar Annie Schmidt als tekstdichter werd ontdekt, nooit voor één van haar musicals werd gevraagd, terwijl Conny Stuart van slag was door de dood van Wim Sonneveld en Leen Jongewaard later het hoogtepunt van zijn loopbaan bereikte in de samenwerking met Robert Long - allemaal ongetwijfeld naar waarheid opgetekend, maar wat hebben al die losse passages met Annie Schmidt te maken? En wat voor zin heeft het te vermelden hoe gepikeerd Wim Bijmoer was, toen zijn tekeningen bij Het schaap Veronica en Pippeloentje werden vervangen door andermans werk, als we niet te weten komen hoe de schrijfster zelf tegenover die ontrouw stond?

Laat ik het maar zeggen: Wacht maar tot ik dood ben is een mislukt boek. In hoeverre dat is veroorzaakt door de tragische voorgeschiedenis, valt niet te achterhalen. De auteur – wie hij ook is – heeft geen enkele greep gekregen op het materiaal dat toch ruimschoots voorhanden was. Annie Schmidt heeft volop verteld, ook over haar privé-leven, en ook diverse anderen hebben zo te zien veel oral history bijgedragen. Bovendien is duidelijk, ondanks het ontbreken van bronvermeldingen, dat er danig is gegrasduind in archieven. De bouwstenen liggen hoog opgetast, maar er is geen verhaal van gemaakt.

In plaats daarvan slingert en springt de verteller soms op uiterst verwarrende wijze heen en weer in de tijd. Eerst heeft Annie Schmidt een kind, daarna is ze in verwachting en pas later blijkt ze een verhouding met Dick van Duyn te beginnen. Eerst wordt ergens geciteerd dat ze onderweg was `van Berkel naar Amsterdam' en vele pagina's verderop blijkt dat ze zich in Berkel-Rodenrijs heeft gevestigd. En vrij van onjuistheden is het boek evenmin: het gedichtje December in de stad was niet nieuw toen Jenny Arean het in de jaren tachtig op haar repertoire zette (het werd in 1954 gebundeld), Cees Laseur was in 1952 allang niet meer met Mary Dresselhuys getrouwd en Ja zuster, nee zuster was niet tweewekelijks, maar maandelijks. Voor een boek dat de losse feitjes zo vooropstelt, is het des te meer van belang dat die ook kloppen.

Even gebrekkig is de manier waarop de particuliere bijzonderheden in verband worden gebracht met het werk. Dat schrijnt vooral als Dick van Duyn op latere leeftijd met zijn gezondheid sukkelt en over euthanasie begint, terwijl zijn vrouw het toneelstuk Er valt een traan op de tompoes schrijft – over een man die dood wil, maar wordt gemangeld tussen zijn echtgenote en zijn minnares. Ergens wordt geciteerd dat Annie Schmidt zich in beide vrouwen kon vinden: de één die bezitterig bedisselt dat hij in leven moet blijven, en de ander die haar minnaar aanvankelijk de vrijheid wil geven daarover zelf te beslissen. Dat vraagt om een tekstanalyse, zelfs als de schrijver tegemoet wil komen aan de afkeer van zijn hoofdpersoon voor `bemoeizieke uitlegkunde'. Van den Bergh houdt het erop dat Vogel aan `diepgravende analyses van centrale motieven in het werk en aan persoonlijke interpretaties' niet meer is toegekomen, en dat dit boek niet meer of minder is dan `een nauwgezette journalistieke speurtocht'.

Die speurtocht heeft, hoe dan ook, veel opgeleverd. Over haar verhouding met de publiciteitsschuwe Van Duyn – vanaf de opmerkelijke contactadvertentie via de jaren waarin ze vooral voor zijn welbevinden in Frankrijk woonde, tot en met zijn zelfgekozen dood – is nooit eerder zo gedetailleerd geschreven. Over haar laatste jaren en de grilligheid van haar vriendschappen evenmin. Dat moet Vogels verdienste zijn. Maar de bewerker heeft er niets mee gedaan; het stáát er, plompverloren vaak, alsof hij zich er verder geen raad mee wist.

Annie M.G. Schmidt vierde op zaterdag 20 mei 1995 haar 84ste verjaardag, bijna blind geworden, in de vrolijke vriendenkring die ook al enige jaren haar vaste voorleeskring vormde. Haar gezondheid liet intussen zeer te wensen over. Na het feest ging ze naar bed, waar ze in de vroege zondagochtend stierf. De dood op dat moment was te mooi om toeval te zijn. Op de voorgaande pagina staat dan ook een suggestief zinnetje over afspraken met haar huisarts `die haar euthanasiegedachten al heel lang kende'. De volgende alinea beschrijft hoe ze Harry Bannink vroeg een medley te maken van hun bekendste liedjes, om te spelen op de begrafenis. Niet vermeld wordt echter de tegenvraag die Bannink, toen ze hem belde, geheel in haar geest stelde: ,,Heb je er haast mee?' Ze schoten alletwee in de lach, want het macabere van het hele geval sprak hun gevoel voor humor zeer aan.

Dat was, kortom, een mooier slotakkoord geweest dan de slappe anekdote waarmee Wacht maar tot ik dood ben eindigt. Blijkbaar kon het, door de voortijdige dood van de biograaf, geen ideaal boek meer worden. Maar het had wel veel beter kunnen zijn.

Hans Vogel: Wacht maar tot ik dood ben. Annie M.G. Schmidt: haar leven en werk voor theater, radio en tv. Bewerking: Hans van den Bergh. Theater Instituut Nederland/Strengholt, 416 blz, ƒ49,90

Annie M.G. Schmidt

In de bespreking `Vaderlandse laatbloeier', over Hans Vogels biografie van Annie M.G. Schmidt (Boeken 29.9.00) is de naam van Schmidts partner enkele malen verkeerd gespeld, als `Van Duyn' en niet `Van Duijn'. De incorrecte spelling was overgenomen uit het boek van Hans Vogel.