Stille wolven op de valutamarkt

Niet Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, maar Polen, Tsjechië en Hongarije dreigen de eerstvolgende toetreders tot de euro te worden. Dat maakt verschil.

De wolven op de valutamarkt hielden zich vanmorgen stil, nadat de Denen gisteren deelname aan de Economische en Monetaire Unie verwierpen. Maar tussen de bomen glinsteren hun ogen. De Deense kroon is van de kudde afgedwaald, en de kans dat de munt zich in de naaste toekomst bij de euro zal voegen, is afgenomen tot vrijwel nul. Daarmee nemen de Denen het risico dat zij misschien niet nu, maar later een prijs betalen voor de monetaire soevereiniteit die zij gisteren hebben bestendigd.

Dat de roedel zich vanmorgen niet roerde, heeft twee redenen. De Deense kroon is door een wisselkoersarrangement gekoppeld aan de euro. Van de spilkoers van 7,46 kroon per euro, mag 2,25 procent naar boven en naar beneden worden afgeweken. Komt de munt buiten deze bandbreedte, dan wordt ingegrepen met het bijstellen van de rente door de centrale bank, en eventueel met steunaankopen. De kroon wist vanmorgen zelfs wat te klimmen tegenover de euro.

De tweede reden voor de rust is dat het vanmorgen ook rond de euro zelf rustig was. Dat is te verklaren door de verrassende steunactie die `s wereld machtigste centrale banken vorige week vrijdag pleegden. Daarmee werd de koersval van de euro gestuit, die in de afgelopen anderhalf jaar was gezakt van 1,17 dollar naar 0,84 dollar. De euro bleef voor en na het Deense referendum op rond 0,88 dollar, gevangen in het web van angst dat de centrale banken vorige week voor de zekerheid al hadden gesponnen.

De rust bedriegt. Vanmorgen betaalden de Denen de eerste prijs voor hun onafhankelijkheid, toen de centrale bank zijn rentes verhoogde van 5,10 procent naar 5,60 procent, om een verzwakking van de kroon voor te zijn. Daarmee is de Deense rente nu 1,1 procentpunt boven de Europese. En gaandeweg zal op de valutamarkt de vraag worden gesteld wat het Deense wisselkoersarrangement met de euro nog waard is. Het Europese Monetaire Stelsel (EMS) waarin de munten van de EU-landen aan elkaar waren gekoppeld, werd in 1999 vervangen door het EMS II. Dat was bedoeld voor landen die nog niet aan de euro deelnamen, maar dat wel zouden gaan doen.

Nadat Griekenland dit jaar als twaalfde euro-lid werd geaccepteerd, was Denemarken nog het enige lid van EMS II – Engeland en Zweden deden er wegens hun opt out van het Verdrag van Maastricht al niet aan mee. Maar nu er geen vooruitzicht is op Deens lidmaatschap van de euro, kan de munt het slachtoffer worden van pogingen om uit het EMS II te worden gespeculeerd.

Europa heeft geleerd van de twee valutacrises van 1992 en 1993, toen er miljarden werden besteed aan valuta-interventies. De verantwoordelijkheid om de kroon bij de euro te houden, rust nu bij de Deense centrale bank zelf. Dus zijn ook valuta-interventies in de kroon-eurokoers – die de afgelopen maanden al werden gepleegd – een zaak van de Denen. Depreciatie is daarbij even erg als appreciatie, getuige de noodkreten van het Britse bedrijfsleven over het almaar stijgende pond tegenover de euro.

Ook voor de euro zelf is het Deense `nee' slecht nieuws. Nadat het economisch zwakke Griekenland de jongste deelnemer aan de euro werd, had Deense toetreding de deur open kunnen zetten voor eerst Zweden en dan het Verenigd Koninkrijk. Daarmee zouden vrijwel alle fundamentele waarden onder de euro – inflatie, overheidsfinanciën, economische groei, werkloosheid – zijn verbeterd.

In plaats daarvan kan de valutahandel er zo langzamerhand van uit gaan dat de eerstvolgende nieuwe toetreders tot de muntunie en de euro uit Oost-Europa zullen komen. Polen, Tjechië en Hongarije rammelen samen met het kleinere Slovenië en Estland aan de poorten van de Europese Unie. President Duisenberg van de Europese Centrale Bank maakte deze week duidelijk dat toetreding tot de EU voor deze landen niet automatisch toetreding tot de monetaire unie betekent. Maar uiteindelijk gaat hij daar niet over. Net als in 1998 is het bepalen van welk land er mag deelnemen een politiek proces, op basis van de zogenoemde Maastricht-criteria. En dat vooruitzicht is, met alle respect voor de economische prestaties die door de aanstaande toetreders zijn geleverd, nauwelijks aantrekkelijk voor de euro van morgen