Stenen gooien naar weldoeners

Galicië is binnen Spanje een buitenbeentje. In dat gebied, dat ten noorden en ten westen wordt begrensd door de Atlantische Oceaan, ten zuiden door Portugal en ten oosten door de rest van Spanje, regent het vaker dan in Nederland, mist het vaker dan in Groot-Brittannië en is de muziek keltischer dan in Ierland. De sage van Koning Arthur leeft er nog, net als het geloof in de Santa Compaña: de stoet van overleden zielen die 's nachts als dwaallichtjes je pad kunnen kruisen. De zangerige klank van de landstaal, tussen Spaans en Portugees met een melodie die aan het Iers herinnert, versterkt de indruk van een onwezenlijke, noordelijke sprookjeswereld.

Net als in Baskenland en Catalonië vlamde er aan het eind van de negentiende eeuw in de Galicische bourgeoisie een nationaal besef op, dat honderd jaar later is uitgemond in de erkenning van de eigen taal en in een poging tot het scheppen van een eigen literatuur. De eigenaardigheden van het `keltische' Galicië vormen daarin even voor de hand liggende als funeste clichés. Nobelprijswinnaar Camilo José Cela (geboren in Galicië maar schrijvend in het Spaans) viel er in zijn tien jaar geleden vertaalde roman Mazurka voor twee doden (1983) reddeloos aan ten offer.

De jongere generatie schrijvers heeft het over een andere boeg gegooid. Suso de Toro zocht het in zijn verhalenbundel Tik-tak (1994, twee jaar later vertaald in het Nederlands) in een mengsel van postmodernistische vorm en een no-future-achtig levensgevoel. Manuel Rivas, met zijn 43 jaar de succesvolste en meestbelovende Galicische auteur van dit moment, gaat minder ver en zoekt zijn weg tussen realisme en sprookjesachtigheid in. Vooral met dat laatste sloot hij zich aan bij het werk de in 1981 overleden Alvaro Cunqueiro, de aartsvader van de Galicische literatuur, wiens geestige roman Een man die op Orestes leek vorig jaar in het Nederlands werd vertaald.

Galicië is niet alleen betoverend. Het is ook een land van armoede en emigratie (in Zuid-Amerika betekent `Galiciër' kortweg `Spanjaard'), van taai conservatisme en fascisme (Franco was een Galiciër), en, met zijn lange kustlijn en diepe fjorden, van smokkel. Vroeger waren dat sigaretten, nu is hetcocaïne. En dus is Galicië ook een land van verloederde junks en grote fortuinen van zwart geld. Die werkelijkheid heeft Rivas vooral in zijn korte verhalen beschreven. Na eerst een paar dichtbundels te hebben geschreven, publiceerde hij in 1990 de bundel Un millón de vacas (Een miljoen koeien), waarin verhalen nog werden afgewisseld met poëzie. Zijn doorbraak bij het publiek kwam in 1995 met de prachtige verhalenbundel ¿Qué me queres, amor? (Wat wil je van me, liefde?), die vier jaar later gevolgd werd door de intimistische verhalenreeks Ella, maldita alma (Zij, de verdomde ziel).

Van dichter ontwikkelde Rivas zich zo tot prozaschrijver en romancier. In zijn eerste roman, En salvaxe compaña (In wild gezelschap) uit 1994, liet hij het ongelukkige huwelijksleven van een modern plattelandsechtpaar becommentariëren door overleden dorpsgenoten wier zielen de in vogels, knaagdieren en insecten van het dorp waren gereïncarneerd. Mythen, bijgeloof en realisme vloeiden in deze kleine roman samen tot een overtuigend mengsel van Galicische betovering en alledaagse dramatiek. Het was een van de oorspronkelijkste boeken die in de jaren negentig in Spanje zijn verschenen en werd door Rivas zelf in het Spaans vertaald.

In zijn tweede roman, Het timmermanspotlood uit 1998, die nu in het Nederlands verschenen is, deed Rivas een stapje terug. Hoewel het verhaal als een terugblik geschreven is, leest het als een relatief traditionele historische roman over de Spaanse Burgeroorlog. De centrale figuur is de verlichte arts Daniel da Barca, die sociaal gevoel koppelt aan een nuchter wetenschappelijke blik en zich vanuit beide inzet voor de verbetering van de menselijke omstandigheden. Zijn tegenhanger is de onontwikkelde Herbal, opgegroeid in plattelandsmisère en willig informant van het franquistische opstandelingenregime, waarvoor hij tenslotte Da Barca mag arresteren en bewaken.

Tussen beiden ontstaat een wonderlijke spanning, die Rivas des te intrigerender weet te beschrijven omdat hij zijn verhaal via Herbal vertelt. Die is ontegenzeglijk de ploert van het verhaal, maar hij is dat eerder uit stumperigheid dan uit slechtheid. Hij keert zich tegen degene van wie hij het meeste heil zou kunnen verwachten, en noch hijzelf noch de lezer weet eigenlijk waarom. Hij koestert ten aanzien van de dokter een primaire haat, die ongetwijfeld op standsverschillen teruggaat, maar die nooit wordt uitgesproken. En die haat krijgt door de omstandigheden steeds vastere grond onder de voeten, omdat mensen zich nu eenmaal gemakkelijk op sleeptouw laten nemen door de geschiedenis, waartegen geen doordenken opgewassen lijkt te zijn.

Hoe zoiets in zijn werk gaat had Rivas al beschreven in het ijzingwekkende verhaal `De tong van de vlinders' uit zijn tweede bundel, dat inmiddels verfilmd is. In dat verhaal wordt een schlemiel door een dorpsonderwijzer – samen met huisartsen de archetypische volksverheffers – uit het verdomhoekje gehaald en geconfronteerd met de wonderen van de kennis. Nieuwe werelden gaan voor hem open en de onderwijzer wordt zijn held, tot ook hier de Burgeroorlog uitbreekt en hij, samen met de andere `rooien' van het dorp, wordt weggevoerd onder gescheld van de dorpelingen. En het jongetje scheldt mee en gooit stenen naar zijn weldoener, om niet achter te blijven bij de andere kinderen van het dorp.

In Het timmermanspotlood is Rivas milder en optimistischer. Herbal hecht zich als een bloedzuiger aan de dokter, die meermalen voor het vuurpeloton komt te staan maar steeds overleeft. Als bewaker volgt hij hem zelfs naar de Spaanse oostkust, waar Da Barca wordt tewerkgesteld in een kloosterkliniek, en onder invloed van die langdurige omgang krijgt Herbal langzaam menselijke trekken. Rivas heeft zijn verhaal voldoende in de hand om niet te overdrijven en geeft het sentiment weinig kans. Herbal blijft even beperkt als hij is (hij eindigt als uitsmijter in een plattelandsbordeel), maar zijn domheid heeft een klein beetje terrein moeten prijsgeven aan een rudimentaire sensibiliteit, die een begin van begrip is.

Van de twee hoofdfiguren in het boek is Herbal dan ook verreweg de interessantste. Hoe indirect we het ook moeten waarnemen, ongemerkt gebeurt er iets met hem, terwijl Danel da Barca het hele boek door de fenomenale arts-verlichter blijft naar negentiende-eeuws recept. Dat stereotype drukt een zwaar stempel op het boek en daarom is Het timmermanspotlood een minder goede roman dan In wild gezelschap, waarvan het bovendien de originele en levendige fantasie mist. Het veelbelovende oeuvre van Rivas verdient het dat ook die roman snel vertaald wordt, waarbij de vreemde vertaalkronkels waardoor Het timmermanspotlood hier en daar wordt geplaagd hopelijk zullen worden vermeden.

Manuel Rivas: Het timmermanspotlood (O lapis do carpinteiro). Uit het Galicisch vertaald door Elly Bovée.

Ambo, 156 blz. ƒ34,90