Postmoderne hutsekluts

Op 16 april 1999 schreven Chris Keulemans en Henk van Renssen een spraakmakend artikel in de Volkskrant, getiteld `De pen zwijgt'. De auteurs signaleerden daarin een gebrek aan engagement bij Nederlandse schrijvers. Terwijl in Italië, Frankrijk en Duitsland vooraanstaande schrijvers als Claudio Magris, György Konrád en Hans Magnus Enzensberger publiekelijk hun mening gaven over de oorlog in Kosovo - de bombardementen, het inzetten van grondtroepen en het lot van de vluchtelingen - zweeg de Nederlandse intelligentsia. De zuiderburen deden het beter. De Vlaamse schrijfster Monika van Paemel kreeg van Van Renssen en Keulemans het laatste woord. `Het verbijstert mij dat schrijvers in het Nederlandse taalgebied zo weinig van zich laten horen. Ze moeten zich uitspreken. Hoe dat gebeurt dondert niet. Ze kunnen een avond voor de slachtoffers organiseren of een artikel schrijven. Maar niets is erger dan zwijgen. De taal is niet gemaakt om stil te zijn.'

Van Paemel, die in 1988 de Staatsprijs voor Proza ontving, is een geëngageerd schrijfster. Ze heeft zes romans geschreven waarin verschillende politieke kwesties worden aangeroerd. Haar debuut De vermalijde vaders gaat onder andere over het milieu-activisme, in De eerste steen toont Van Paemel zich begaan met het slepende conflict tussen Israeliërs en Palestijnen en in Rozen op ijs staat de oorlog tussen de seksen centraal. Niet in alleen in haar romans, maar ook in de praktijk betoont Van Paemel zich politiek betrokken. Ze is voorzitter van de internationale schrijversorganisatie PEN, die opkomt voor de vrijheid van schrijvers, en tevens is ze de oprichtster van de Balkanactie, een Belgische organisatie die tijdens de Bosnische oorlog hulp verschafte bij de bouw van scholen en ziekenhuizen. In het kader hiervan maakte Van Paemel samen met drie mannelijke hulpverleners een reis naar Sarajevo. In haar nieuwste roman Het verschil. Een geschiedenis doet zij hiervan verslag. Hoewel de hoofdpersoon van Het verschil een schrijfster is, is de roman niet zonder meer autobiografisch. Met het motto positioneert Van Paemel zich als een verteller aan wie het postmodernisme niet voorbij is gegaan. `Dit boek verhoudt zich tot de werkelijkheid als een verhaal, en omgekeerd.' In de `Verantwoording' voegt ze er aan toe dat Het verschil `een imaginaire reis' is. `De historische werkelijkheid en de verbeelde zijn met elkaar verweven om zo een beeld van een wereld en van een leven te geven.' Het boek heeft een duidelijke politieke inzet: het wil onverschillige westerlingen wakker schudden. Dat is een nobel streven, en het is dan ook jammer dat dit in Het verschil niet goed uit de verf komt. Het boek is mislukt, zowel in literair als politiek opzicht.

Oorlogen

De schrijfster van Het verschil voelt zich `opgezadeld met de oorlogen van twee generaties vader'. `Van Duitsland wilde ik af.' Om de oorlog `aan te kunnen' probeert de schrijfster verhalen te verbinden', waaronder het verhaal van haar reis naar Sarajevo, verhalen over haar eigen verleden en dat van haar familieleden die de Eerste en Tweede Wereldoorlog meemaakten, als ook oorlogsverhalen die overgeleverd zijn uit de literatuur. Zo ontstaat een roman die op de achterflap omschreven wordt als `een verhaal van een geschiedenis en een geschiedenis van verhalen'. De schrijfster beschouwt het vertellen van verhalen en het citeren daaruit als een overlevingstrategie in tijden van oorlog. `Het had ook mijn reisgezellen aangestoken, zodat wij ons troostend en beroepen op verhalen, citerend en wel, een weg door de wildernis baanden. Het leek soms op zingen in het donker, maar het was ook een protest, op velerlei wijze tegenspreken, een postmoderne hutsekluts, waarmee wij ons vermaakten en waardoor wij ons verbonden wisten, en ook nog ezelsbruggetjes bouwden als regenbogen boven het verschil.'

Het verschil is een lange associatieve aaneenschakelijking van verhalen, citaten en anekdotes. Als het regent in Sarajevo, is dat een aanleiding om Gene Kelly's `Singing in the Rain' te citeren; als de schrijfster bang is schiet haar een dichtregel van Paul van Ostaijen te binnen; om het oorlogsleed onder woorden te brengen komen de woorden van onder meer G. Durlacher, Voltaire en J. Huizinga van pas. Wanneer de schrijfster samen met haar reisgenoten een kat in Sarajevo ziet lopen, lezen we: `Ik probeerde de jongens af te leiden met een anekdote over Colette.' Over de drie metgezellen van de schrijfster komen we overigens niet zo veel te weten; zij lijken soms alleen maar te worden opgevoerd opdat de schrijfster een of andere filosofische opmerking kan etaleren (```Taal is mentaliteit", zei ik'; ```Wij bestaan in wat wij ons voorstellen", had ik besloten') die vervolgens in het luchtledige blijft hangen.

Zelfkennis

Enige zelfkennis kan Van Paemel overigens niet ontzegd worden. `Citaten, verzen, hele stukken proza kwamen mij voor de geest, of gingen over mijn tong. Het was alsof ik teksten ophoestte. [-] je kunt niet zeggen dat ik er de vruchten van plukte.' De associatieve verteltechniek maakt Het verschil niet alleen tot een vermoeiende verhalen-, citaten- en anekdotenbrij, maar heeft ook ernstige gevolgen voor het engagement van de schrijfster. `Het verschil', dat in alle soorten en maten opduikt (man-vrouw, oost-west, rijk-arm, jong-oud, oorlog-vrede) wordt niet gerespecteerd en erkend, maar op één hoop gegooid.

Omdat de schrijfster al associërend van de ene op de andere oorlog overspringt, is er geen verschil meer tussen de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, de oorlog in het Midden-Oosten en de Balkanoorlog; ook springt de schrijfster steeds heen en weer tussen Oost en West, bijvoorbeeld door de vernietiging van de Nationale Bibliotheek in Sarajevo in een associatieve adem te noemen met de vernieling van de universiteitsbibliotheek in Leuven; de verschillende talen in Kroatië doen de schrijfster denken aan de taalstrijd in België. Het verschil wordt voortdurend begrepen in termen van het `bekende' en het `eigene' en daarmee toegeëigend en gekoloniseerd.

De lezer kan zich uiteindelijk niet onttrekken aan de indruk dat Het verschil niet over de Balkanoorlog gaat, maar over een vrouw die naar de oorlog gaat om zichzelf een martelaars- en slachtofferidentiteit aan te kunnen meten. De schrijfster is naar Sarajevo gegaan om haar `eigen' oorlog mee te maken. Ze schrijft: `Weer had ik het gevoel op zoek te zijn naar iets, een ontbrekend stuk in mijn persoonlijke puzzels' en `Ik hielp omdat ik zelf geholpen moest worden'. Uiteindelijk wordt het verschil tussen haar, een westerling, en het leed van de `ander', de door de oorlog getroffen Kroaten, Serviërs en Bosniërs, volkomen gladgestreken. `Hun verhaal was in het mijne geïnfiltreerd, het andere was eigen geworden.'

Terug naar het stuk van Van Renssen en Keulemans. Hun dringende oproep tot engagement van Nederlandse schrijvers geeft blijk van een optimistisch vertrouwen in de zeggingskracht van de literatuur. Terecht. Juist in de literatuur kan onzegbaar oorlogsleed invoelbaar, prachtig en huiveringwekkend onder woorden worden gebracht. `Engagement!' roept ook Van Paemel. `Hoe dat gebeurt donder niet.' Maar het dondert wél. Van Paemels kolonialisering van het verschil en de wijze waarop ze de Balkanoorlog inzet als persoonlijke therapie zijn stuitend, zozeer zelfs, dat je, voor zolang als deze roman duurt, wenst dat de taal gemaakt was om stil te zijn. Het verschil is geen geschiedenis, noch literatuur, maar, in Van Paemels eigen woorden, een `postmoderne hutsekluts'.

Monika van Paemel: Het verschil. Een geschiedenis.

Meulenhoff, 288 blz. ƒ27,50.