Ongelooid achterleder

Een woordenboek laat zich het beste testen door te kijken wat wordt gemeld over een onderwerp waarvan men iets afweet. In Walter Gerlachs Lexicon van het bijgeloof. Van Abracadabra tot zwarte kunst zocht ik meteen naar het lemma `wichelroede'. Dat ontbreekt. We kunnen dus vaststellen dat er hier niets wordt gezegd over de beproefde methode om het netwerk op te sporen waarmee Stonehenge is verbonden met alle andere neolithische monumenten in Groot-Brittanië. Een beknopt naslagwerk dus, op het smakelijke gebied van drekkijken, aambeien, bochels, eksterogen, moedervlekken, onanie, roodharigheid, steenpuisten en wratten, om me te beperken tot bijgelovige voorzegging en verklaring achteraf aan de hand van het menselijk fysiek. Want Gerlachs Lexicon van het bijgeloof bevat meer, veel meer.

Het is winuttig ons te realiseren dat zowel bijgeloof als geloof een onuitroeibare menselijke neiging betreft. De mens heeft zich niet in de hand. Een rationeel achttiende-eeuws denker als Lichtenberg zei al: `Ik heb nooit een goed woord overgehad voor bijgeloof, maar ik ben zelf de ergste wichelaar.' Als Walter Gerlach vertelt dat de katholieke Fransen meer uitgeven aan waarzeggerij, hekserij en duiveluitdrijving dan aan wetenschappelijk onderzoek, hoeft ons dat ook niet te verbazen, al is het jammer dat hij de donaties aan de Franse branche van de Moederkerk niet in zijn cijfermateriaal betrok.

In haar beknoptheid is Gerlachs Lexicon van het bijgeloof een kostelijk werkje voor de onderkast. We lezen over Luther die in tijden van verzoeking met bloot achterwerk in bed stapte om de duivel te verjagen, over de lustverhogende onderdompeling van het mannelijk geslacht in een aftreksel van notenboombladeren, dat een klapband in de nabijheid van een beek de automobilist op naderende, energievretende gebeurtenissen wijst, over de symbolische kracht van de baard - de beknopte Gerlach zegt niets over Jezus in dit verband, maar het element `beharing' is wel degelijk van groot belang in de Christus-iconologie, getuige R.C. d'Ablaing van Giesenburgs Haar en baard (Amsterdam, 1900). Wel wijst Gerlach op de middeleeuwse, vrouwelijke veroveringsmethode door op hun billen zuurdesembrood te serveren; op behoeding voor bloedneuzen door de tekst van Johannes 19:30 op een papiertje op het lichaam te dragen; over het bijgeloof in engelen en Rilke die `Engelen zijn engelen. Basta!' zei; over het pastoorsechtpaar (sic) dat in 1995 te Neurenberg door middel van intieme zalving de duivel bij een vrouw probeerde uit te drijven; dat men nooit 's nachts in een bos moet fluiten omdat dit demonen zou lokken - een mooi gegeven, dat ontbreekt in het overigens uitstekende woordenboek Pfeifen im Walde (Köln,1994). Ook de techniek van het glazen schuiven wordt in Lexicon van het bijgeloof behandeld. Deze methode om in contact te treden met de doden vormt volgens Gerlach nog in de jaren negentig van de twintigste eeuw een hoogtepunt op tienerfeestjes. Dat de heren Matla en Zaalberg van Zelst met dezelfde techniek negen jaar na de dood van Eduard Douwes Dekker nog een postume Multatuli-tekst bijeen sprokkelden (gepubliceerd in Het geheim van de dood, Den Haag 1920) vinden we bij Walter Gerlach helaas niet terug.

Van het ene boek naar het andere. Soms geeft Gerlach meer, soms minder dan anderen, de blijdschap met zijn lexicon is in beide gevallen even groot. Je gaat zwerven in de onderkast en stuit voortdurend op feiten waarvan je niet wist dat je er zo graag kennis van wilde nemen. Nu moet ik meteen denken aan de menigte die toestroomde bij een boer die een kip had die eieren legde met de gekalligrafeerde tekst `Christus komt!', afwezig bij Gerlach, maar vermeld door Andrew Mackey in diens Popular Delusions (London, 1901). Dat het om een dierenbeul met een fraai handschrift ging, bleek pas later: de boer propte de beschreven eieren in de arme vogel terug.

Schitterend is toch de rijkdom van dit Lexicon. Nooit dacht ik na over de geschiedenis van het hoofdkussen, nu ik bij Gerlach heb gelezen dat de Germanen al een hoofdkussen gebruikten, is er meteen de behoefte aan eenmonografie over dit onderwerp. Ze legden (daarmee zijn we terug bij bijgeloof) er hun wapens onder, opdat het ijzer kwade geesten zouden verdrijven. Groot is ook de aandacht van Walter Gerlach voor anekdotes, zoals die over het bezoek aan Indira Gandhi in de jaren zestig van de voormalig Bundespräsident Lübke: `Geloof me, mevrouw Gandhi. Ik ben zes jaar Minister van Landbouw geweest. Er bestaan geen heilige koeien'. Erudiet is Lexicon van het bijgeloof ook. Even makkelijk worden Dickens (i.v.m. huisgeesten), Goethe (i.v.m. de koekoek) en Harry Houdini (i.v.m. materialisatie) aangehaald, als Thurneyssers Onomaticon Polyglosson uit 1583 (i.v.m. krokodilletranen) of Plinius' Historia Naturalis (i.v.m. bliksem die truffels doet opschieten).

Waarmee we tot twee slotsommen komen. Lexicon van het bijgeloof is een meesterlijk naslagwerkje dat roept om een woordenboek van dezelfde samensteller, waar alles in staat over bijgeloof. Graag ook zou ik van Walter Gerlach een naslagwerk lezen dat alle zeden en gebruiken van de H. Roomse Kerk in even fraaie lemma's samenvat. Het lijkt mij overigens aannemelijk dat Gerlach uiteindelijk zou besluiten dat beide werken onder dezelfde titel zouden kunnen worden gepubliceerd.

Walter Gerlach Lexicon van het bijgeloof. Van Abracadabra tot zwarte kunst. Vertaald door Bert Bakker. Bert Bakker, 244 p. ƒ28,50