Om melktanden treur je niet

NEW YORK. Genot kent vele verschijningsvormen. Maar al te vaak verschijnt het in de gedaante van het onbereikbare. Zo vaak dat ik ging geloven dat het onbereikbare een voorwaarde was voor genot.

De sensatie van de machteloosheid die het haken naar genot met zich meebrengt, kan tot depressie, lethargie, godsdienstwaanzin, woede en haat leiden. Ik had mijzelf een behoorlijke portie somberheid gegund, want ik ben niet gierig, en bitterheid is een smaak die mij wel bevalt.

Tot ik begin september, merkwaardig genoeg tijdens het lezen van een roman waarin oudere vrouwen werden bezongen, begreep dat mijn machteloosheid net zo onvermijdelijk was als het verlies van de melktanden. Om je melktanden treur je ook niet, tenzij je al vroeg besmet bent met die sentimentele ziekte die ervoor zorgt dat je in iedere zonsondergang een drama ziet.

Ik kan het ook anders zeggen: ik ben geen fabrikant van mededogen. Waarmee ik niet wil suggereren dat ik geen mededogen ken. Maar maanden ligt de fabriek stil, en opeens spuiten er twee flinke klodders uit.

Deze onregelmatige productie drukte op mij zoals een volle blaas op je kan drukken. Ik werd heen en weer geslingerd. Er waren dagen dat ik meende dat ik de fabriek die mededogen produceerde grondig moest renoveren, andere dagen geloofde ik dat ik mij volledig moest wijden aan het onbereikbare.

Sommige nachten waren de kussens nat van het zelfmedelijden en het zelfbedrog. Wie de waarheid wil optekenen moet ook de verfoeilijke details niet over het hoofd zien. Op een prachtige onbewolkte namiddag begreep ik dat beperkte aansprakelijkheid niet alleen een nuttig begrip was voor het verzekeringswezen, maar ook bijzonder geschikt was om aan te geven hoe ik mij verhield tot mijn eigen leven. Ik was een speelbal. Wie of wat er precies met me speelde wist ik niet.

Dat ik een speelbal was, en dat is het cruciale, deerde mij niet langer, ik ging erop af. De fabricatie van mededogen liet ik over aan mensen die er talent voor hadden of aan hen die er een aardige broodwinning in zagen. Mij waren twee flinke klodders eens in het kwartaal ruim voldoende.

Wie een misdaad wil begaan, erkent de wetten en regels nog, hij wil ze immers overtreden. Maar wie die regels en wetten niet meer erkent, begaat in zijn eigen ogen geen misdaad. Hij gaat zijn eigen weg, zoals een lawine de helling afrolt.

Als eerste zocht ik contact met een Egyptenaar. Ik had hem al langer op het oog. Hij was zeker vijf jaar jonger dan ik, maar wie wil leren moet zijn arrogantie laten varen. Al een paar weken had ik geobserveerd hoe de Egyptenaar op een achteloze wijze bijzonder veel succes had met het onbereikbare.

Ik begon een praatje, en al uit dat praatje bleek waarom het nooit echt goed was gekomen tussen mij en het onbereikbare. Zijn woorden hadden wat de mijne zo miste, een zachtaardige vanzelfsprekendheid.

,,Zullen we als je klaar bent met werken iets gaan drinken'', stelde ik voor.

Zoals het hier op papier staat, kwam het ook uit mijn mond: quasi-nonchalant. Mijn woorden hadden een bedoeling.

De zijne niet.

Ik wilde iets met mijn woorden, ik zei niet zomaar iets, het gesprek was nooit doel, altijd middel. Precies dat roken mensen, zoals honden van alles kunnen ruiken, en daarom stonden de bedoelingen, de onwil gebeurtenissen aan het toeval over te laten, tussen mij en het onbereikbare.

Ook de Egyptenaar had de bedoeling kunnen ruiken, hij had de ongedwongenheid kunnen doorzien, maar hij zei: ,,Kom me maar om zeven uur afhalen.''

Toen ik twaalf was, schafte ik bij een sigarenboer in de Amsterdamse Beethovenstraat een pakje John Player Special aan. Een detail dat ik verdrongen had of vergeten was tot ik er onlangs per brief aan werd herinnerd.

Het pakje werd gedeeltelijk opgerookt in de kruidentuin van het Beatrixpark, maar waar het om gaat is de aanschaf. Die aanschaf betekende mijn entree in de wereld. In de strikte zin van het woord kom ik natuurlijk uit een buik, in de iets minder strikte zin van datzelfde woord kom ik uit een pakje John Player Special. Een zwart pakje met gouden letters.

Nooit heb ik het idee helemaal van me af kunnen schudden dat ik een indringer was die ontmaskerd kon worden. Het schijnt mij dat ik een deal had gesloten met de geheime dienst, ik mocht blijven zolang ik anderen zou ontmaskeren. Zo bedreven was ik daarin geworden dat de ander nog maar drie woorden had gezegd, of ik was al aan de ontmaskering begonnen. Maar wie ontmaskert is niet dierlijk, en daarin schuilt het bankroet van de ontmaskeraar.

Dierlijkheid onttrekt zich aan de macht van het woord, en precies aan die macht had ik mij niet weten te onttrekken. Steeds weer, op cruciale momenten dreigde het vlees woord te worden.

De Egyptenaar had natte haren.

Midden op straat stond hij me op te wachten.

,,Hoe gaat het?'' vroeg hij en klapte in zijn handen.

Het eerste vreemde geslachtsdeel dat ik in mijn leven zag, en dat ik als zodanig herkende, observeerde ik met een pakje John Player Special in mijn handen. Hoeveel romans je ook schrijft, ze zullen altijd worden vergeleken met je eerste. Lichaamsdelen hebben ook die eigenschap.

We liepen Park Avenue af, de Egyptenaar en ik.

Ik hield het gesprek gaande.

Bij een stoplicht haalde hij een oude leren portemonnee uit zijn broekzak en liet me foto's zien. Veel verschillende gezichten. Hij hield van ze, allemaal, want, zei hij, als je eenmaal van iemand hebt gehouden, gaat het nooit meer over.

Hij zocht het genot niet, het zocht hem. Als hij de wereld als een speeltuin zag, dan was hij niet tot die conclusie gekomen na studie en ampele overwegingen, hij zag de wereld zo, omdat hij de wereld nooit anders had kunnen zien.

Ik had mijn leermeester gevonden, ik moest alleen nog een manier vinden om hem niet al te opzichtig te bespioneren.

Zo'n drie keer per week haalde ik hem af van zijn werk. Als ik zag dat er vrienden op hem wachtten, ging ik weer naar huis.

Ik begon zijn gewoontes te leren kennen, zijn vriendinnen, met wie hij sliep, met wie niet, met wie niet meer.

Er waren dagen dat ik niemand zag behalve de Egyptenaar, maar dat stoorde me niet. Hij nam de wereld niet persoonlijk, en hoewel hij beweerde veel ambitie te hebben, was die geveinsde ambitie vooral een middel die delen van de wereld op afstand te houden die hij als onwenselijk beschouwde.

Op een middag gebeurde het onvermijdelijke. Hij zei dat zijn tante, bij wie hij woonde, had gezegd dat ik maar eens langs moest komen.

Ik had me geconcentreerd op ontmaskering, hij nam genoegen met de schijn.

Er waren koekjes en zoete thee.

De tante had een interessante lach. Als zij lachte schudde het meubilair.

,,Wat vind je van mijn neef?'' vroeg ze.

Naar waarheid zei ik: ,,Uw neef heeft een uitzonderlijke verstandhouding met het genot.''

Ze keek naar haar neef en naar mij.

Het geluid van thee die wordt ingeschonken.

Ik zag de tekeningen van Bruno Schulz en een halfnaakte jongeman in de kruidentuin van het Beatrixpark. Zijn vader deed in fietsen.

Zeven witte haren groeiden uit de kin van de Egyptische tante.

,,Mijn neef'', zei ze, en weer lachte ze zo hard dat de glazen in de kasten trilden, ,,leidt een ondeugdelijk leven.''

Ik voelde hoe een voet voorzichtig tegen mijn been schopte.

Alles kon toeval zijn, maar dit was niet het huis waar toeval regeerde.

,,Mijn man leidde ook een ondeugend leven.''

Ik wachtte tot het meubilair weer zou trillen, maar dat gebeurde dit keer niet.

Waarheid noch rechtvaardigheid zocht ik, want het genot omvatte de waarheid en de rechtvaardigheid. En er kon geen twijfel over bestaan dat de Egyptische tante er net zo over dacht.