Loyaliteit, frictie en verraad

The Blind Assassin is de titel van de in 1947 postuum gepubliceerde, enige roman van Laura Chase, een jonggestorven Canadese vrouw uit gegoede kringen. Het boek beschrijft de geheime verhouding tussen een naamloze jonge vrouw uit de hoogste lagen van de Canadese society en een bolsjevistiche activist en schrijver. De man, beschuldigd van terroristische activiteiten, houdt zich noodgedwongen schuil; de vrouw is een gevangene van haar milieu en heeft weinig meer te doen dan het uitbreiden van haar garderobe. Hij probeert zich in leven te houden met het schrijven van pulpboekjes. Wanneer ze elkaar ontmoeten in louche hotelkamers en geleende appartementen vertelt hij haar sadistisch getinte science fiction-verhalen. De voor hun tijd ongehoord expliciete passages veroorzaken bij publicatie een waar schandaal, en vooral over de mogelijke identiteit van het mannelijke personage wordt druk gespeculeerd. Laura Chase zelf kan de geruchten niet meer ontkennen of bevestigen: twee jaar eerder was ze met haar bolide dwars door een waarschuwingsbord heen van een brug afgereden, regelrecht het ravijn in.

The Blind Assassin van Laura Chase is één van de - fictieve - elementen waaruit Margaret Atwood haar nieuwe roman heeft opgebouwd, eveneens The Blind Assassin geheten. Net als haar vorige roman, het voor de Booker Prize genomineerde Alias Grace, bestaat dit boek uit verschillende tekstfragmenten die steeds nieuw licht op het verhaal werpen, en net als in Alias Grace ga je je afvragen in hoeverre de verstrekte informatie juist, en de verteller betrouwbaar is. Zeker wanneer die laatste na vierhonderd pagina's hardop concludeert dat wat ze geschreven heeft verkeerd is, niet om wat er al staat, maar om wat ze heeft weggelaten.

Verteller van het boek is Iris Griffen-Chase, Laura's drie jaar oudere zus, en bezorger van The Blind Assassin. Wanneer ze aan haar memoires begint, eind jaren negentig, is Iris een eenzame, bejaarde vrouw die vol ironie haar lichamelijke aftakeling en naderende dood schetst: `The doctor eggs me on: I'm making progress, he tells me; but towards what?' Maar ze schrijft vooral om herinneringen op te halen aan haar jeugd en de periode na haar huwelijk met de schatrijke industrieel Richard Griffen - een periode die ruwweg samenvalt met de gebeurtenissen uit The Blind Assassin. Hoofdstukken uit dit boek en Iris' memoires worden weer afgewisseld met krantenknipsels, die suggereren dat niet alleen Iris' zus, maar ook haar man en later haar dochter zelfmoord hebben gepleegd, terwijl haar kleindochter, aan wie de memoires gericht zijn, niets van haar wil weten. Wie eenmaal zover is gekomen in het boek, en dat is snel, moét de resterende vijfhonderd pagina's wel uitlezen.

Wat zich vervolgens ontvouwt is deels de sociale geschiedenis van een klein Canadees provinciestadje aan het begin van de twintigste eeuw. Iris en Laura Chase worden geboren in Port Ticonderoga, waar hun familie een aantal goedlopende fabrieken bezit. Hun vader, een oorlogsveteraan, weet zich echter bij zijn terugkeer in 1918 geen raad met meer zijn vrouw en kleine dochtertjes. Als zijn vrouw dan ook nog jong overlijdt, worden de twee meisjes overgelaten aan een reeks griezelige en incompetente privéleraren. Laura blijkt bovendien een zonderling kind, afwezig en overgevoelig, dat alles letterlijk neemt wat tegen haar gezegd wordt. Tijdens de Depressiejaren, wanneer hun vader weigert zijn arbeiders te ontslaan, komt het gezin in grote financiële problemen. Een fabriek gaat in vlammen op; het werk, zegt men, van de jonge linkse activist Alex Thomas. De twee zusjes Chase, nu veertien en zeventien, hadden toevallig niet lang daarvoor kennis gemaakt met deze Alex, een ontmoeting met verstrekkende gevolgen voor beiden.

Iris' vader haalt haar echter om zakelijke redenen over om te trouwen met de arrogante, steenrijke Richard Griffen, een man met extreem-rechtse sympathieën en politieke ambities. Diens zuster Winnifred, een manipulerend en overheersend secreet, blijkt een onvermijdelijk deel van het huishouden. Na de huwelijksreis ontdekt Iris dat Richard twee maanden lang telegrammen voor haar verborgen heeft gehouden waarin de dood van haar vader wordt gemeld, `omdat ze toch niet op tijd voor de begrafenis terug zouden zijn'. Haar vader heeft zich doodgedronken, omdat Griffen tegen hun afspraak in toch de Chase-fabrieken heeft laten sluiten: Iris' opoffering blijkt voor niets te zijn geweest. De stap naar Alex, toevallig in de omgeving, is dan snel gemaakt. Ondertussen verliest Iris echter uit het oog in welke fatale richting het leven van haar zus zich beweegt.

Ironisch genoeg geeft de onrealistische science fiction-pastiche in de roman de indringendste impressie van Iris' benarde positie. Verhalen over de stad Sakiel-Norn op de planeet Zycron, waar een wrede en corrupte aristocratie heerst over de lagere klassen, lijken zich niet uitsluitend in een andere dimensie van de ruimte af te spelen. Kinderen worden er gedwongen tapijten zo fijn te weven dat ze er blind van worden, waarna ze worden omgeschoold tot vaardige blinde sluipmoordenaars. Jonge maagden worden beschermd en in luxe grootgebracht in tempels, waarna hun tong wordt afgesneden om onwelgevallige geluiden te voorkomen, en ze worden geofferd aan `de goden', oftewel de aristocraat die er het meeste voor neertelt.

Als contrast zijn de wederwaardigheden die Iris zelf vertelt vaak bedrieglijk triviaal. Haar lege huwelijk vult ze op met tuinieren - een rotstuintje waar niets wil groeien - en overmatig veel aandacht voor kleren. De vertelster is zich er van bewust `te veel frivools' in haar verhaal te hebben gestopt: `Breakfasts, picnics, ocean voyages, costume balls, newspapers, boating on the river. Such items do not assort very well with tragedy. But in life, tragedy is not one long scream. It includes everything that led up to it. Hour after trivial hour, day after day, year after year'.

Vreemd genoeg blijven de mannelijke personages nogal schimmig in Iris' relaas. Richard `is van bordkarton', geeft ze toe. Hetzelfde kan gezegd worden over Alex; nergens wordt echt duidelijk waarom Iris en Laura deze man zo verafgoden. Maar wat werkelijk centraal staat in Atwoods Assassin is dan ook de relatie tussen beide zussen, hun loyaliteit, frictie en verraad. Alex blijft een blank scherm waarop de zussen hun verlangens kunnen projecteren. Op dezelfde manier wordt Laura na haar dood een projectie van de literatuuronderzoekers die in haar een modernist zien of een `gedoemde romantische heldin', invloeden bespeuren van schrijvers die ze in werkelijkheid nooit heeft gelezen, en bloemen plaatsen bij haar graf. Het zou een ironisch pleidooi van Atwood tegen een autobiografische interpretatie van literatuur kunnen zijn, ware het niet dat Laura's roman wel degelijk autobiografisch is. De vraag is alleen welke levens dan worden beschreven.

En wie is schuldig aan de tragedie, wie is de blinde moordenaar uit de titel? Alle hoofdpersonen van de roman blijken uiteindelijk blind, met desastreuze gevolgen voor hun omgeving. Maar er is nog een mogelijkheid: `Eros with his bow and arrows is not the only blind god. Justitia is the other one. Clumsy blind gods with edged weapons.'

Dit laatste illustreert Atwoods zwakke punt: een neiging om over-expliciet te zijn en de plotdraden zonder rafeltjes weer te laten samenkomen aan het eind. Het zegt veel over de kwaliteit van Atwoods werk dat dit toch nauwelijks afdoet aan de spanning in het verhaal, en dat nota bene bij een plot die niet zou misstaan in een authentiek stuiverromannetje uit de jaren dertig.

Margaret Atwood: The Blind Assassin.

Bloomsbury, 480 blz. ƒ53,25