Leven na de dood in het katoenveld

Tony Earley's eerste, in alle opzichten bescheiden roman is een jongensboek voor alle leeftijden. Het verhaal begint op de tiende verjaardag van Jim Glass, en eindigt op zijn elfde. Het is het Amerika van 1934, de staat North Carolina om precies te zijn, het is de tijd van de depressie en van vanzelfsprekend racisme. Maar dat zijn verschijnselen die zich alleen maar aan de buitenrand van Jims onschuldige bewustzijn voordoen.

Belangrijker is dat hij zijn vader nooit heeft gekend - die viel dood neer in een katoenveld voordat Jim geboren werd. Belangrijker zijn de drie ooms die nu een soort surrogaatvader voor hem zijn - goeiige en wat onbeholpen mannen die geen van drieën ooit aan de vrouw gekomen zijn. Waarom niet? Daar hebben ze een verklaring voor die even simpel en huiselijk is als de rest van hun wereldvisie: `I guess a man can get too busy when marrying time comes, or there might not be enough girls to go around for everybody.' En je moet over zulke dingen vooral niet te lang nadenken, want dat leidt ook nergens toe.

Een paar malen zien we de grote wereld door de ogen van de kleine Jim; als zijn moeder meeslepend het hof wordt gemaakt door een handelsreiziger; als de elektriciteit zijn intrede doet in het stadje; als een zwarte knecht hem redt uit de handen van stadse vechtersbazen. Het lukt Earley niet helemaal het boek vanuit de jongensoptiek te schrijven - er zijn enkele stilistische noodgrepen in de vorm van brieven nodig om de contouren van het verhaal aan te zetten. Maar voor het overige is het bewonderenswaardig hoe vast van toon hij eenvoudige gebeurtenissen en oprechte karakters zichtbaar maakt.

Jims vader is, ruim tien jaar na zijn dood, nog steeds een van de belangrijkste personen van het boek: niet alleen in de verhalen die de ooms over hem vertellen, maar ook in de herinnering van Jims moeder, die zich in feite nog steeds met hem in de echt verbonden voelt. En in Jims fantasie natuurlijk, zoals vooral blijkt in het slothoofdstuk, wanneer hij voor het eerst met zijn ooms op bezoek is geweest op de naburige berg, om zijn stervende grootvader én zijn zieke vriend Penn te bezoeken. Dit is waar zijn vader vandaan komt die hij nooit kende, zo realiseert Jim zich. Vader heeft onder deze bomen gelopen, zo echoot het door zijn hoofd, vader heeft misschien wel op deze steen zitten uitrusten... Als ze gevieren teruglopen overweldigen uitzicht en emoties hem dermate dat hij duizelig wordt. `Het is gewoon te groot.' `Wat ?' `Alles... Ik ben nog maar een jongen.'

Je verwacht als lezer een wending, een gebeurtenis die van `Jim de jongen' een man zal maken; dat zijn de conventies waaraan we de laatste tijd in fictie gewend zijn geraakt, maar Earley heeft daar lak aan en eindigt het boek geheel in de stijl waarin hij het begon. Eigenlijk kan het niet, denk je soms, het is wat sentimenteel, maar het getuigt ook van durf om de beslist makkelijker weg van de ontwakende wereldwijsheid via ironie of cynisme nu eens niet te kiezen.

Tony Earley is jong en tot een van de veelbelovende auteurs van zijn generatie uitgeroepen door zowel The New Yorker als door Granta, die ook beide gedeelten uit deze roman voorpubliceerden. Ik vind dat, op basis van dit boek en de paar verhalen die ik van hem las, nogal voorbarig; maar dat hij lef heeft en het zelfvertrouwen om aan een eigen, onmodieuze toon en thematiek te schaven maakt hem boeiend genoeg om in te gaten te houden.

Tony Earley: Jim the Boy. Little, Brown & Company, 227 blz. ƒ66,10.