Lage dingen voor lief genomen

Stel dat er morgen een nieuwe dialoog van Plato wordt ontdekt, een vergeten traktaat van Spinoza of een onbekend manuscript van Nietzsche - het zou ongetwijfeld wereldnieuws zijn. Des te merkwaardiger is de afwezigheid van publieke belangstelling voor nieuw werk van de in 1976 gestorven filosoof Martin Heidegger. Toch komen er in zijn sinds 1975 verschijnende Gesamtausgabe elk jaar wel één of meer delen uit die vaak niet eerder gepubliceerd materiaal bevatten, van college-teksten en werkgroepaantekeningen tot compleet nieuwe verhandelingen. Buiten de vakpers wordt er nauwelijks aandacht aan besteed. Waarom niet?

Misschien omdat men het zo langzamerhand wel denkt te weten. Bij Heidegger gaat het toch telkens om de vraag naar het Zijn? Inderdaad, maar wie `het' al denkt te weten, miskent de inzet en de aard van dit denken. Veelzeggend is wat dit betreft het motto dat Heidegger aan zijn Gesamtausgabe heeft meegegeven: `Wege - nicht Werke'. De lezer wordt uitgedaagd om zelf op pad te gaan, niet om zich aan een wijsgerig monument te vergapen.

Waar te beginnen? Bij Sein und Zeit (1927)? Bij de naoorlogse essaybundel Holzwege? Bij het schitterende college met de weinig uitnodigende titel Grundbegriffe der Metaphysik uit 1929-1930? Of toch maar bij Heideggers nazi-engagement, dat in het recente verleden - ook buiten de vakkringen - voor een `affaire' heeft gezorgd?

In het laatste geval loont het de moeite de dit jaar verschenen Band 16 van de Gesamtausgabe, getiteld Reden und andere Zeugnisse eines Lebensweges, nu eens niet over te slaan. Want daarin zijn onder meer alle belangrijke documenten bijeengebracht, voor zover afkomstig van Heidegger zelf, die betrekking hebben op zijn optreden als Rector van de Universiteit van Freiburg in 1933-1934. Een deel, zoals de beruchte Rektoratsrede en de naoorlogse verdediging Das Rektorat 1933/34 - Tatsachen und Gedanken, is al eerder gepubliceerd. Maar ook nu zijn er tientallen teksten opgenomen, die voor het eerst (of voor het eerst in complete versie) de duisternis van de archieven verlaten.

Interessant zijn vooral enkele voordrachten, waarin Heidegger op voor zijn doen zeer heldere wijze uiteenzet welke rol er volgens hem in het nieuwe Duitsland is weggelegd voor de universiteit en voor de filosofie. Heidegger die zichzelf, om zo te zeggen, voor arbeiders verklaart. Letterlijk zelfs, want de studenten die hij toespreekt moesten zich transformeren tot `arbeiders' om te kunnen beantwoorden aan de eisen van het `Duitse socialisme' dat met Hitlers `revolutie' aan de macht was gekomen.

Het zijn - mede door de opgeschroefde, militante toon - geen verkwikkende teksten om te lezen, maar ze laten wèl goed uitkomen wat Heidegger destijds voor ogen moet hebben gestaan: een geestelijke omwenteling dankzij de filosofie, die de in specialismes uiteengevallen wetenschappen weer moest zien te verenigen met als leidraad de vraag naar het Zijn. Onbegrijpelijk naïef blijft intussen het geloof dat hij via de universiteit in staat zou zijn de `beweging' van binnenuit te hervormen, zonder het raciale `biologisme' van de nazi's te omarmen.

Aan zijn broer Fritz schreef Heidegger in 1933 dat de `lage en minder prettige dingen' maar voor lief moesten worden genomen. Men mocht nu niet `aan zichzelf' denken, maar `slechts aan het geheel en aan het lot van het Duitse volk, dat op het spel staat'. Aan zichzelf dacht hij pas weer in 1945, toen het erom ging zijn nazi-engagement te minimaliseren en hij zijn colleges van na 1934 zelfs als een vorm van `Widerstand' waagde te presenteren.

De documenten in dit deel van de Gesamtausgabe spreken andere taal, al wordt óók duidelijk dat Heidegger er een heel eigen opvatting van nationaal-socialisme op na hield, die niet door alle nazi's werd gewaardeerd. Dat neemt niet weg dat hij op 16 december 1933 zelfs van een feestelijk bedoelde Teenachmittag voor het universiteitspersoneel nog een politiek gekleurd en onvertaalbaar `Augenblick der gelockerten Sammlung' voor de nationale zaak wist te maken, want de theepartij mocht niet ontaarden in `speelse verstrooiing en freischwebend vermaak'.

Ook wanneer Heidegger nadien op bruiloften en andere partijen het woord voert, is het zelden dolle pret. Alleen bij de tachtigste verjaardag van broer Fritz maakt hij een grapje, door te vermelden dat Fritz zich aan vreemden pleegt voor te stellen als `Heidegger minor'. De grap is dus afkomstig van de jarige, wiens `humor' niet voor niets wordt geprezen. Martin had er minder last van, tenzij je de slotzin van het dankwoord bij zijn eigen tachtigste verjaardag (`Wij mogen niet klagen, wij moeten vragen') als zodanig zou willen betitelen.

In het nawoord van zoon Hermann Heidegger wordt de publicatie van deze toespraken, dankwoorden, brieven, gedichten, interviews (waaronder het befaamde Spiegel-interview uit 1966) en notities gerechtvaardigd, doordat ze de lezer in staat stellen Heideggers `persoonlijkheid' beter te begrijpen. Een vreemd motief eigenlijk, gelet op de geringe rol die het persoonlijke of subjectieve bij Heidegger speelt. De fascinatie die van zijn denken uit-gaat, komt eerder voort uit de - ongetwijfeld ook zo bedoelde - onpersoonlijke indruk die het maakt, alsof in zijn taal inderdaad het Zijn zelf tot spreken wordt gebracht.

Aan Heideggers `persoonlijkheid' valt dit jaar blijkbaar niet te ontkomen, want ook het tweede in 2000 uitge-bracht deel van de Gesamtausgabe (Band 75, getiteld Zu Hölderlin - Griechenlandreisen) brengt de lezer in aanraking met de persoon van de filosoof. Nog niet zozeer in de commentaren bij Hölderlins poëzie, maar wel in de verslagen van zijn beide reizen in de jaren zestig naar Griekenland.

In een brief uit 1941 (opgenomen in Band 16) schrijft Heidegger dat een reis naar Griekenland al jaren lang behoort tot zijn `weinige wensen'. In 1962 was het eindelijk zover, maar helemaal zonder risico blijkt de reis niet te zijn. In Griekenland was de westerse filosofie ooit begonnen, en iets van de oorspronkelijke eigenheid van het Griekendom zou nog in het landschap te ervaren moeten zijn. Griekenland moest hem als het ware het bewijs leveren dat zijn `denkweg', een stelselmatig terugdenken naar de Griekse oorsprong, geen `dwaalweg' was geweest.

Het komt uiteindelijk allemaal goed, wanneer Heidegger in de kale verlatenheid van het eiland Delos iets meent te herkennen van het `wezen' van de Griekse waarheid, dat `openbaring' en `verberging' ineen is. Bijna roerend is niettemin de daaraan voorafgaande onzekerheid, wanneer hij op Korfu en Ithaka niets terugvindt van wat hij bij Homerus heeft gelezen of wanneer hij in Epidaurus slechts troost vindt bij Hölderlin, die had geschreven: `Warum schweigen auch sie, die alten heilgen Theater?' Alleen al om die angstige teleurstellingen vergeef je hem graag het frequente en nogal obligate gemopper op de moderne toeristenindustrie, die de speurtocht naar het authentieke Griekendom zo vaak in de weg zit.

De nadruk op de `persoonlijkheid' lijkt erop te wijzen dat de voltooiing van de Gesamtausgabe nu spoedig een feit zal zijn. Bij een filosoof komen de `menselijke documenten' meestal na het serieuze werk aan de beurt. Zo niet in Heideggers verzamelde werken. Van het op 102 Banden begrote geheel zijn er pas zestig verschenen, zodat er nog minstens veertig zullen volgen, naar de aangekondigde titels te oordelen voor het merendeel bestaande uit `onpersoonlijk' filosofisch proza.

Wie hierbij overigens moet denken aan de hoofdpersoon van Nathaniel Hawthorne's verhaal Dr.Heidegger's experiment uit 1837, krijgt van mij geen ongelijk. Heideggers naamgenoot heeft bij Hawthorne de beschikking over een fles met water uit de `Fountain of Youth'. Of ook de denker van het Zijn zoveel - postume - jeugd beschoren zal zijn, ligt alleen niet aan een wondermiddel, maar aan de belangstelling van zijn lezers, die nog tot ver in deze eeuw de gelegenheid zullen krijgen met nieuw werk kennis te maken.

Martin Heidegger: Gesamtausgabe, Band 16: Reden und andere Zeugnisse eines Lebensweges, 1910-1976. Vittorio Klostermann. 842 blz. ƒ193,30 (geb.) ƒ170,20 (pbk)

Martin Heidegger: Gesamtausgabe, Band 75: Zu Hölderlin - Griechenlandreisen. Vittorio Klostermann. 407 blz. ƒ112,70 (geb.) ƒ101,20 (pbk)