Kindervingers met verhalen

Het is een moeilijk genre, echte poëzie voor kinderen. Versjes, dat is iets anders, dat gaat heel goed. Veel rijm en nonsens, of grappige verhaaltjes die onvergetelijk gemaakt worden door de vorm.

Wanneer is iets een gedicht en wanneer een versje? Dat valt niet zo makkelijk uit te maken en dat hoeft misschien ook niet. Soms is heel duidelijk dat de schrijver zelf meer wil dan een versje. Dat hij of zij mikt op iets dat zich verschuilt in of achter de woorden, in de taal. Dat er sprake is van `gelaagdheid', al zou je geen kind met dat woord lastig willen vallen. Wel met het verschijnsel.

Wat Jitske van Noorden schrijft in haar bundel De wolken de baas lijkt soms het meest op gedichten, soms het meest op versjes, en vaak het meest op iets dat je graag wilt lezen. Het eerste gedicht heet `Wat mijn broer zag' en het vertelt hoe moeder aan tafel zit, met nog koude, roze handen van het boerenkool wassen, en met een baljurk met een decolleté (`hoewel ze zo'n jurk waarschijnlijk niet had') en hoe er dan beweging ontstaat in dat decolleté omdat er een handje de stof vastpakt en een hoofdje met een plukje haar verschijnt.

Dan mijn verschrikte ogen, mijn ouders

opgetogen en bijna mijn broer vergeten

op te halen bij de buren. Zo blij

zijn ze met mij.

Dat is een stralend begin van een bundel. Niet steeds is het zo treffend en grappig als hier, maar het gebeurt wel veel vaker dat Van Noorden sterk uit de hoek komt. Heel goed is ook haar gedicht `Wachtwoorden' waarin een moeder haar kind probeert te roepen voor het avondeten. Maar dat kind is aan het spelen, in werelden die onbereikbaar zijn voor warm eten. `Hallo, hallo! Bleekgezichten roepen rood-/ (aangelopen) huid. Wij zijn in vreselijke nood:/ het eten staat op tafel en dampt en seint,/ o opperhoofd, dat het stukken beter smaakt/ en heter ook als u met ons een praatje maakt.' Uiteindelijk lukt het, nadat moeder zowat elke denkbare fantasiewereld is binnengetreden. Dat is een vrolijk vers. Soms blijft iets meer steken in een treffende anekdote, of een aardigheidje. Maar onderhoudend en opgeruimd is het bijna altijd, en vaak is het meer dan dat.

Edward van de Vendel mikt in zijn bundel Aanhalingstekens meer op `echte' poëzie. Waar zijn gedichten over gaan is ongrijpbaarder, ze laten zich veel minder samenvatten en navertellen. Dat is er een kwaliteit van, Van de Vendel probeert iets dat moeilijk is. Mooi is bijvoorbeeld zijn gedicht `Oude handen' waarin hij schrijft: `Als ik oud ben wil ik oude handen' met, onder meer `Ervaren aderen, vingers met verhalen'. Dat zijn mooie regels, die heeft Van de Vendel vaak. Toch is zijn bundel niet echt geslaagd - de gedichten worden maar zelden een sterk geheel. Afhechtingen zijn vaak slap, de observaties zijn niet verrassend, wat ook niet hoeft, maar ze zijn al evenmin verrassend onder woorden gebracht. hij kan het wel goed, dat weten we van zijn schitterende Gijsbrecht-bewerking. En hier zie je het soms ook heel duidelijk, bijvoorbeeld in zijn judo-gedicht, waarin hij de langzame dans van twee judoka's beschrijft, `Verschillende manieren/ om een lichaam om een ander lichaam te scharnieren' en de beleefde afstand die er ondanks het lichamelijke gedoe toch tussen de twee blijft bestaan: `en het publiek blijft zitten wennen/ dat het iemand iemand/ net niet/ heeft zien leren kennen.'

Jitske van Noorden: De wolken de baas. Met tekeningen van Olivia Ettema. Querido, 36 blz. ƒ28,50

Edward van de Vendel: Aanhalingstekens.

Querido, 47 blz. ƒ28,50