Hoe men omgaat met monsters

Romeinse historici vóór Tacitus hadden het makkelijk. Zij konden de lof zingen van grootse tijden, Hij moest uitleggen hoe men een koers kon varen tussen corruptie en zelfmoord. Drie nieuwe vertalingen.

Cornelius Tacitus bezag de radslagen van de Fortuin zonder illusies. Koningen beheersten Rome in het begin, constateert hij onbewogen aan het begin van zijn Annalen. Op koningschap draaide het uiteindelijk weer uit, na de Republiek en de vrijheid, kortstondig intermezzo. Alleen, het heette anders. Augustus noemde zich princeps, `eerste burger'. Zo ook zijn opvolgers.

Ooit, in de Republiek, was princeps een eretitel voor de meest prestigieuze senator, een titel bevochten op het veld van eer. De naam bestond voort, in het principaat. Maar de inhoud was onherkenbaar veranderd. Eadem magistratuum vocabula, `de namen van de overheidsfuncties waren dezelfde', luidt de formulering in de Annalen. Typerend voor Tacitus laat hij de conclusie: 'maar hun inhoud was uitgehold' over aan de lezer.

Schijn en werkelijkheid zijn het hoofdthema van de grootste prozatekst uit de oudheid, Tacitus' Annalen, of jaarboeken, die de Romeinse geschiedenis beschrijven van de dood van Augustus (14 n.Chr.) tot de nadagen van Nero (66 n.Chr.) Jaar in jaar uit verhult de schijn (lees: de samenwerking tussen de princeps, toch slechts eerste burger, en de Romeinse aristocratie en het volk), de werkelijkheid (lees: autocratie). Maar niet voor de priemende blik van de cynische senator Tacitus. Tacitus ziet door de maskers heen, en doet daar kond van. Maar zonder daar voortdurend met zoveel woorden op te wijzen. Zijn methode is die van het `aanschouwelijk onderricht'. Met meesterhand dramatiseert hij de scènes tussen keizer en senaat, en later, steeds frequenter, in het kabinet van de keizer.

En het is de herhaling van deze scènes die de boodschap als een heipaal in de grond slaat: de trotse adel van Rome is geknecht. Tacitus vertelt niet, hij laat zien. De paradigmatische keizer daarbij is Tiberius (14-37 n.Chr.). Bij diens debuut als princeps in de senaat gaat het als volgt. Men spreekt over de eerbewijzen aan de overleden Augustus: `Valerius Messala voegde daar nog aan toe dat de eed op Tiberius jaarlijks opnieuw afgelegd moest worden. Toen Tiberius hem vroeg of hij dat voorstel niet op instigatie van hem, Tiberius, gedaan had, antwoordde hij dat hij het spontaan had gezegd en dat hij zich in kwesties van algemeen maatschappelijk belang uitsluitend zou laten leiden door zijn eigen inzichten, ook als hij daarmee het risico zou lopen iemand te kwetsen.' Tacitus concludeert: `Dat was de enige vorm van vleierij die er nog over was.'

Deze tragi-komedie van kruiperij en gespeelde bescheidenheid maakt Tacitus, en zijn lezer, aan het huilen, maar ook aan het lachen. Steeds dollere scènes voert de historicus ten tonele. Dansende varieté-acteurs in de slaapkamer van de keizerin. Gifmoorden onder het toeziend oog van de hele keizerlijke familie. De pedante filosoof Seneca, die wordt afgetroefd door zijn tovenaarsleerling Nero, en wiens Socratische heldendood op een bloedige smeerboel uitloopt. Dankfeesten aan de goden als de keizer weer eens een tegenstander bruut heeft afgeslacht. De minnaar van de keizerin hoog in een pijnboom tijdens een tuinfeest. De prefect van de Praetorianen Seianus, menselijk monster van Frankenstein, die niet anders kán dan misdaden beramen. De hartsvriendin van Agrippina, Neros' moeder, die zich bij een aanslag ter zee van zoonlief op het leven van zijn moeder van geen kwaad bewust is, en meent dat de keizerlijke moeder zeker van de verdrinkingsdood zal worden gered; dus roept dat zíj de moeder van Nero is en vervolgens zelf met roeiriemen wordt doodgeslagen. Agrippina zelf, die elke dag wat arsenicum inneemt om immuun te worden tegen het gif dat ze vreest van haar zoon. Keizer Claudius (41-54 n.Chr.) vergiftigd door zijn vrouw, die om hulp roept van zijn arts, die hem vervolgens een veer in de strot toedient om te kunnen kotsen, alleen die veer heeft gedoopt in een nog sneller werkend gif. 'Niet geschikt voor jongere lezers', oordeelde Rousseau al in Emile. En toch. Geen tekst uit de oudheid is, hoe morbide ook, zo geestig als de Annalen. Maar je schaamt je telkens dat je lacht. En Tacitus weet dat.

Zoals Marinus Wes terecht opmerkt in de briljante inleiding op zijn nieuwe Annalen-vertaling, is het Tacitus er niet om te doen republikeinse nostalgie bij de lezer op te wekken. Voor een terugkeer naar de glorietijd van Rome is het veel te laat. Het nut van zijn historiografisch werk, zijn labor in angusto of `hard werken voor weinig eer', is dan ook niet de schets van heroïek te velde (hoewel die niet ontbreekt) of de vrijmoedigheid van het debat in de senaat. Het, zo pijnlijk beperkte, nut van Tacitus' inspanningen is zijn lezers te leren hoe men moet omgaan met een monster op de troon. Eerdere historiografen als Livius hadden makkelijk praten. Zij konden de roemrijke daden van een Republiek in alle glorie te boek stellen. Niet voor niets wordt Tacitus in de zeventiende eeuw de plaatsvervanger van Machiavelli; wie Machiavelli, die op de pauselijke Index stond, niet durfde citeren, formuleerde toch een idee uit zijn werk, maar zette daar de naam van Tacitus onder.

Tacitus laat zien hoe men dat kleine beetje virtus dat een senator in zijn tijd nog is gegund, kan behalen door zorgvuldig een middenweg te kiezen tussen de zinloze roekeloosheid van de verzetsheld die talloze slachtoffers in zijn val meesleept, en de abjecte vleierij van een collaborateur. Want historiografie in de oudheid is exemplarisch, ze dient tot lering. `Waarheidsvinding', een woord waar Tacitus van zou gruwen, staat niet voorop, ook al doet Tacitus zijn best om de gebeurtenissen niet te verdraaien. Soms moet hij dat wel, als offer voor het `dramatische' kunstdoel. Met name Tiberius en Claudius komen er bij Tacitus veel slechter vanaf dan bij moderne historici, die hen capabele bestuurders achten. Tacitus was een senator; keizers die de Senaat geen rol in hun beleid gunden, zoals Tiberius, waren in zijn ogen slechte heersers èn slechte mensen.

Wes laat schitterend zien hoe dit exemplarische kunstdoel de historicus na aan het hart staat. Want Tacitus heeft die voorzichtige middenweg tussen nutteloze heroïek en laf opportunisme zelf moeten bewandelen, als carrièremaker onder de tiran Domitianus. Niet alleen doorliep Tacitus keurig de cursus honorum, het ambtelijke carrièreparcours, hij werd zelfs, als de door Wes geciteerde oud-historicus Geza Alföldy gelijk heeft, `perschef' van zowel Titus als Domitianus. Haarfijn wordt in de inleiding door Wes uit de doeken gedaan hoe de thematiek van deze crisisfilosofie voor onderdrukte senatoren al het hoodthema is van Tacitus literaire debuut, de biografie van zijn schoonvader Agricola, nu samen met zijn ethnografisch essay Germania ook vertaald door Vincent Hunink. Met name de Agricola is een thematisch uiterst belangrijk werk; het schetst de schitterende carrière van een topmilitair die zich de jaloezie van de paranoïde princeps op de hals haalt. In de Germania schetst hij de zeden en gewoonten van Rome's Angstgegner, de Germanen, voorgesteld als edele wilden. Huninks vertaling is adequaat, zij het wat vlak. Maar met name de Germania is ook geen stilistisch hoogtepunt.

Aan inspiratie ontbreekt het Wes niet. Aan scherpzinnigheid evenmin. Toch kleven er bezwaren aan zijn vertaling. Die komen voort uit wat een blinde vlek lijkt van deze Tacitus-kenner. In zijn voortreffelijke inleiding, met zijn kloeke dramatisering, scherpe inzichten en onmiskenbaar esprit, ontbreekt namelijk een bespreking van Tacitus' stijl. Wes is één van 's Neerlands scherpste en origineelste oud-historici. Zijn beheersing van Latijn (en Grieks) is voortreffelijk. Hij ergert zich, terecht, wel eens aan het gemierenneuk van classici die elk woord op een goudschaaltje wegen. Wes heeft bergen vertaalwerk verzet, vaak in samenwerking met collega historicus Fik Meijer. Dat vertaalwerk is uitstekend. Maar het betrof nooit eerder een stilist van het kaliber van Tacitus.

Geen antiek auteur schrijft idiosyncratischer Latijn dan Tacitus. Kort, op het duistere af, met onverwachte wendingen, een volstrekt unieke woordenschat, en een permanente onbestemde ironie die voortkomt uit wat niet gezegd wordt, uit de woorden die er niet staan. Zo spannen bij Tacitus als bij geen ander vorm en inhoud samen om één boodschap te brengen en onstaat wat de grote commentator Goodyear heeft genoemd een cruciaal dilemma: de hoogbegaafde literator Tacitus is tevens een historicus van uitnemend belang: maar in hoeverre zijn inhoud en stijl van zijn werk te scheiden?

Het antwoord luidt: nauwelijks. Het hoofdthema in Tacitus' werk, de tegenstelling van schijn en werkelijkheid, komt niet alleen inhoudelijk tot uitdrukking. De betekenis die Tacitus aan woorden geeft blijkt telkens weer bedrieglijk. Telkens weer is het onderscheid niet duidelijk, of niet helemaal duidelijk, tussen wat hij nu daadwerkelijk zegt en wat hij hooguit suggereert of insinueert. Tacitus is lang niet alleen maar bondig, zoals vaak wordt gedacht: hij plooit zijn taal listig naar zijn behoeftes.

Eén van de meest indrukwekkende voorbeelden is het tweede caput van het eerste boek van de Annalen. Nadat het thema in het eerste caput staccato is aangekondigd, met zijn grove periodisering van de Romeinse geschiedenis in koningstijd, Republiek en principaat, spitst de historicus zijn betoog toe op het beginpunt van zijn verhaal: de opkomst van Augustus. Die listige gang naar de macht, waarbij onder de schijn van de wreker van Caesar en de hersteller van de Republiek de werkelijkheid van de koele dictator met zijn door ijzeren precisie gestuurde koers haast onzichtbaar is, wordt door Tacitus geschetst in één lange, kronkelende, en telkens zijpaden inslaande periode, die de lezer net zo doet turen naar de zinsstructuur als Augustus' tijdgenoten moesten spieden naar diens ultieme motieven.

Wes breekt deze weergaloze zin als een nieuwslezer in stukken. Hij betoont zich voorts met regelmaat ongevoelig voor Tacitus' pathologische angst voor `gewone' woorden; een afschuw die zo duidelijk voortkomt uit zijn weerzin tegen de cliché's en de betekenisloosheid van de vleierij die zijn onderwerp kenmerkt. Wes kiest juist populaire woorden, zoals `figuren' en `lieden' in plaats van `mensen', `helemaal' in tranen, en gebruikt zelfs getapte vulgarismen als `oversekst'. Dit laaste sluit aan bij een ander bezwaar, dat van het `stijlniveau' bij Tacitus. `Gewone' mensen komen in de Romeinse historiografie evenmin voor als bij Homerus, enkele uitzonderingen als Thersites en Percennius daargelaten. De raddraaiers die Tacitus opvoert in zijn meeslepende beschrijving van de legeropstanden in Pannonië en Germanië bij de machtswisseling tussen Augustus en Tiberius, spreken even verheven taal als een aanvoerder als Germanicus.

Een onmisbaar onderdeel van antieke historiografie is, zoals Auerbach al lang geleden aantoonde, de `verheven' stijl. Van die stijl blijft bij Wes (te) weinig over, niet alleen bij de raddraaiers maar zelfs bij de aanvoerders, bijvoorbeeld als hij Germanicus' dramatische o improvidi animi vertaalt met `mooie vrienden zijn jullie, kortzichtig hoor!'. Eerlijkheid gebiedt wèl te constateren dat Wes' stijlbreuken minder navrant worden naarmate zijn werk vordert, en hij in mijn ogen in zijn tweede deel over Claudius en Nero veel beter op dreef is. Eerlijkheid gebiedt ook te zeggen dat Wes' scherpe geest vaak betekenislagen, interpretaties en argumentatiesructuren naar boven brengt die voor menig lezer verborgen zouden blijven. Alleen, die verborgenheid is nu juist zo'n essentieel onderdeel van Tacitus!

Tacitus' meesterstukken blijven de portretten van hoofdrolspelers in zijn geschiedsdrama. Tiberius, geplaagd, vernederd, trots, wraakzuchtig, eenzaam, een rotzak met toch diep gevoelde menselijke behoeftes, rancuneus en verknipt, is misschien wel de meest indrukwekkende karakterisering uit de antieke literatuur. Tacitus laat hem zo intens naakt zien dat afschuw en medeleven elkaar bij de lezer afwisselen. Als vertrouweling neemt Tiberius een man die nog veel `slechter' is dan hijzelf, Seianus. De combinatie van deze twee heeft al iets tragisch. Seianus laat, in zijn streven naar het purper, Tiberius' enige zoon Drusus vergiftigen, tot Tiberius' diepe verdriet - Tiberius die niet weet dat hij met Seianus een slang aan zijn borst koestert.

Tacitus laat de norse princeps dan zien de dag na Drusus' dood. Tiberius gaat gewoon naar zijn werk. Hij komt in de senaat en wijst luid huilende senatoren terecht: zulk vertoon van emotie past Romeinen niet. Dan realiseert hij zich dat men hem, altijd al zo ongenaakbaar, nu wel onmenselijk hard zal vinden (omdat hij niet thuis blijft in officiële rouw) en verontschuldigt hij zich met de stelling 'mijn werk is mijn leven'. De lezer herinnert zich de komedie die Tiberius altijd opvoert door te beweren dat hij helemaal niet de ambitie heeft princeps te zijn, waarna de senatoren dan verplicht zijn te roepen dat ze dat absoluut niet kunnen accepteren. We zien de keizer verstrikt in zijn eigen netten, hopeloos alleen, hopeloos oprecht, hopeloos bedroefd. Ineens is de verknipte keizer zo kwetsbaar dat het de lezer droef te moede wordt.

Met Tiberius heeft Tacitus, zoals Wes opmerkt, een haat-liefdeverhouding. Het cynisme van Tiberius lijkt soms sprekend op dat van Tacitus zelf. Dit cynisme heeft vaak een zelfvernietigende en een zichzelf ontkennende kracht. Zo komt Tacitus weer eens te spreken over de epidemische vleierij in de senaat en herinnert zich dan een anekdote: Het verhaal gaat dat Tiberius, telkens als hij de Curia verliet, zich in het Grieks iets liet ontvallen als: 'wat een slavenzielen!' Hij was dan weliswaar geen voorstander van werkelijke politieke vrijheid, het was niettemin duidelijk genoeg dat zelfs hij vervuld werd van weerzin over een dergelijke abjecte serviliteit.

Marinus Wes heeft met zijn Annalen een gedenkwaardige inleiding geschreven, met een uiterst nuttig en betrouwbaar essay over 'termen en begrippen' en aanvullende historische- en bronnenoverzichten, zijn onderwerp waardig. De vertaling zelf heeft het (nog) niet gewonnen van de bestaande, onlangs nog herdrukte en veelgeprezen maar verouderde vertaling van J.W. Meijer. Misschien kan een herdruk met enkele wijzigingen daar verandering in brengen. Want Tacitus is in deze tijd van autoritaire bedrijfsvoering verpakt als human resource management, van een 'vrije' wereld die de slaaf van commercie en internet-handel is geworden, waarbij niemand meer durft te zeggen dat de digitale keizer geen kleren aan heeft, actueler dan ooit. Lees hem dus - in het Latijn, onder verstandige leiding, met Wes ernaast.

Tacitus: De jaren van Tiberius. Annalen boek I-VI. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door M.A. Wes. Voltaire, 397 blz. ƒ79,-

Tacitus: Claudius en Nero. Annalen boek XI-XVI. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door M.A. Wes. Voltaire, 350 blz. ƒ79,-

Tacitus: Het leven van Agricola/De Germanen. Vertaald door Vincent Hunink. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 107 blz. ƒ40,-