Het nihilisme van de kantoortuin

Zes jaar geleden was Michel Houellebecq een anonieme, depressieve, bleke IT-er, die net een eerste roman had gepubliceerd. Op vragen volgde een ongemakkelijk lange stilte en soms een hakkelend antwoord. Tegenwoordig woont hij in Ierland: in Parijs kon hij de straat niet meer op zonder herkend te worden. Zijn eerste roman, onlangs uitstekend in het Nederlands vertaald onder de titel De wereld als markt en strijd, werd verfilmd en op de planken gezet. Zijn tweede roman, Elementaire deeltjes, veroorzaakte een literaire polemiek van formaat, en eerder dit jaar verscheen Présence humaine, zijn eerste CD, waarop hij in een rap-ritme met een doorrrookte, neerslachtige stem zijn gedichten murmelt. Foto's van nu tonen hem in een paars pak met dito das, gebruind, een coupe-soleil in het haar en een ondoorgrondelijke Elvis-blik.

Deze schrijversmetamorfose werd in 1994 in gang gezet met zijn eerste roman, die in Frankrijk zonder veel publiciteit zijn weg vond naar een groot publiek. Het werd, nog vóór de toekenning van de Grand Prix National des Lettres, een cultroman, verslonden door een generatie dertigers die zich identificeerde met Houellebecqs onbegrepen, naar liefde snakkende, ambitieloze systeemanalisten.

In zekere zin zijn de naamloze verteller en zijn collega Raphaël de voorlopers van de door seks geobsedeerde Bruno en de briljante chemicus Michel uit Elementaire deeltjes. Ze zijn net zo hopeloos vervreemd van de maatschappij, net zo innerlijk verkild.In De wereld als markt en strijd beperkt Houellebecq zich tot een bijtende analyse van één aspect van onze maatschappij: die van de bedrijfscultuur - een ongezonde situatie, waarbij mensen dicht opéén gepakt met elkaar om moeten gaan en naar het leven staan. Houellebecqs twee IT-ers zwerven als ongeleide projectielen door het leven, zonder vrienden, zonder enig binding. Ze worden samen, zonder instructie of overleg, naar de provincie gestuurd om er computercursussen te geven - een in hun ogen nutteloze onderneming, want `deze wereld heeft overal behoefte aan, behalve aan extra informatie'.

Dezelfde schijnwereld, waarin mensen hun behoefte aan aandacht en macht verbergen achter zogenaamd belangrijke, maar in wezen zinloze werkzaamheden vinden we in het oeuvre van de Nederlandse chroniqueur van het werkklimaat, J.J. Voskuil. In veel opzichten staat Voskuil diametraal tegenover Houellebecq, maar niet in zijn beschrijving van de eerste werkdag. In Meneer Beerta twijfelt Maarten Koning net zo aan het nut van zijn kabouterfiches als de verteller van Houellebecq aan het effect van zijn computercursus. Beiden slaan hun collega's met nauwelijks verholen weerzin gade en voor beiden betekent de lunchpauze een ontsnapping. Waar Koning na één dag `een bodemloze triestheid als een vloedgolf voelt opkomen', spreekt Houellebecqs verteller van een golf die hem `naar de wc doet gaan om te braken'. Bij beiden heeft het eerste contact met de werksfeer een intense vervreemding tot gevolg. Voor Koning was het `alsof hij zich in een afgesloten ruimte bevond, afgescheiden van de buitenwereld, niet in staat tot ook maar één zinnige gedachte'. Houellebecqs hoofdpersoon voelt zich, kernachtiger uitgedrukt, `als een in cellofaan verpakte kippenpoot in een supermarkt'.

In tegenstelling tot Voskuil verlaat Houellebecq al snel het benauwde werkterrein van het individu en lanceert hij zijn theorie (`het is tenslotte altijd beter een theorie te hebben') over de twee maatschappelijke differentiatiestelsels, waar zijn personages het slachtoffer van zijn. Het economische en het seksuele liberalisme veroorzaken een harde strijd op economisch gebied (om de banen) en op seksueel gebied (om de bedpartners). Daar in onze comsumptiemaatschappij seksuele begeerte voortdurend wordt aangewakkerd door een overdaad aan erotisch-publicitaire suggestie, is het niet verwonderlijk dat seksuele losers die ook nog te kampen hebben met een fundamentele eenzaamheid, volledig ontsporen. Ze worden tot wanhoop gedreven en aangezet tot moord en zelfmoord. Dat is dan ook precies het lot van Houellebecqs verteller en diens treurige collega.

Dat het boek nergens larmoyant of pathetisch wordt, is wederom te danken aan Houellebecqs klinische, zakelijke schrijfstijl, die blaakt van strijdlust. De verteller daagt de lezer uit, speelt met ironie en zwarte humor, vervalt van poëtische bespiegelingen in hilarische beschrijvingen, wisselt spot af met ongenuanceerde one-liners. Houellebecqs eerste roman is meer dan een vingeroefening. Het is een zeer geslaagde opmaat voor zijn rijkere, veelomvattender tweede boek - en net zo aanstekelijk geschreven.

Michel Houellebecq: De wereld als markt en strijd. (Extension du domaine de la lutte) Vertaling: Martin de Haan. Arbeiderspers. ƒ34,95