Henze's `Elegy for young lovers' zit vol waanideeën

Wat is dat voor een man, de dichter Gregor Mittenhofer, de alomaanwezige hoofdpersoon in Henzes opera Elegy for young Lovers (1959-1961), met veel succes concertant uitgevoerd door het Schönberg Ensemble in de Serie Tijdgenoten? Is hij een tijdloze monomane dichter of de reïncarnatie van het egocentrische genie uit de Jugendstil Epoche in een ideologie waaruit het fascisme voortkwam? Hans Werner Henze zag aanvankelijk in zijn `held' niet meer dan een opgeblazen dichter maar vond later dat hij een soort fascistische duivel had gebaard. Oliver Knussen en de zijnen trokken zich daar niets van aan en wijdden zich hoofdzakelijk aan het uitdiepen van de muzikale inhoud.

Elegy for young Lovers, een koorloze kameropera in 34 scènes, zich afspelend in de Oostenrijkse alpen in 1910, is bovenal kunst van verfijnde overgangen en onvermoede detailleringen. Het werk ademt de sfeer van neurotische schrijvers als Schnitzler en Wedekind, elke figuur is wel met een waanidee behept. Niet het benadrukken van de schandelijke moraal van de dichter-vorst die als een vampier zijn omgeving leegzuigt om aan een onderwerp te komen, stond centraal, maar de compositie zelf, als min of meer abstract gegeven.

Karakteristiek is hoe realistische geluiden als het fluitje van een locomotief, het tikken van een klok, het galmen van alpenklokken even zovele signalen zijn die verraden dat het verhaal een wending neemt. Moeiteloos incorporeert Henzes muziek het alledaags banale. Naast Stravinsky's drive, voornamelijk ontleend aan diens Priaboutki, cool jazz, Brittens lyriek en Weils ironie, laat vooral de Schönberg School zich gelden. Het basismateriaal dat bij de ene persoon behoort (steevast twaalftoonsreeksen) kan op een ander worden overgedragen als de dramatische situatie dat verlangt en zo ontstaan leidmotieven. Nog herkenbaarder zijn de figuren uitgetekend in de instrumentatie.

Het librettistenduo Auden-Kallman schreef ook Stravinsky's The Rake's Progress, een moraliteit in 18de-eeuwse stijl. Ditmaal gaat het compleet met een waanzinscène als in Donizetti's Lucia di Lammermoor om een Italiaanse 19de-eeuwse stijl. Indrukwekkend zijn de furieuze coloraturen à la Luigi Nono, fraai is het liefdesduet, interessant het harpkwintet met de harp als plaatsvervanger voor Apollo's lier en de realistische sneeuwstorm.

De rol van Mittenhofer, oorspronkelijk voor Dietrich Fischer-Dieskau, werd naar behoren vertolkt, zij het wat eenvormig, door David Wilson-Johnson, wat ook gold voor Roderick Kennedy als dr. Reischmann. Lisa Saffer als de hysterica beheerste de hels lastige coloraturen. Haar overdadige vibrato kleefde ook aan Rosemary Hardy in de rol van Elisabeth in een overigens fraai duet met tenor Christopher Gillet. Mezzosopraan Mary King als Carolina had treffende momenten, al wenste Henze hier een contralto.

Veruit het boeiendst vond ik het aandeel van het kleine orkest: acht blazers, veel slagwerk, een strijkerskwintet, gitaar en mandoline. Dat klonk kortweg visionair en duwde uiteindelijk elk verlangen naar verstaanbaarheid en vocale karakterisering naar de achtergrond. Voor blijvend succes is de Elegy wellicht te precieus en artificieel, te sophisticated en intellectueel. Ik val vooral voor die ijl-iriserende kleuren als van een Edelweiss, die de zonnestralen reflecteert van onder de sneeuw uit. Statisch en sfinxachtig, breekbaar bleek en broos. Dit is magie.

Concert: Schönberg Ensemble o.l.v. Oliver Knussen. H.W. Henze: Elegy for young Lovers. Gehoord 27/9 Concertgebouw Amsterdam.