Gebrul met tedere ondertoon

Begin oktober wordt de eerste Nobelprijs voor literatuur van de nieuwe eeuw uitge- reikt. Niet alle eer- dere winnaars zijn bekend gebleven. Het CS haalt zes schrij- vers uit het vergeet- boek. Vandaag in de laatste aflevering: Viceinte Aleixandre

Toen in 1936 de Spaanse burgeroorlog was geëindigd in de overwinning van Franco, vertrokken vrijwel alle dichters van de Generatie van '27 naar het buitenland. Viceinte Aleixandre bleef `in binnenlandse ballingschap', aan huis gekluisterd door een nierziekte. Hoewel andere leden van de groep beroemder (Federico García Lorca) of genialer (Jorge Guillén) waren, was Aleixandre uiteindelijk de enige die de Nobelprijs kreeg. Dat de prijs uitgerekend in het jaar 1977 aan hem werd toegekend, maakt duidelijk dat het Nobelcomité méér wilde doen dan alleen een individuele dichter eren. Dat jaar werd het halve eeuwfeest van zijn `Generatie' gevierd en bovendien werden in Spanje de eerste vrije verkiezingen sinds het einde van de dictatuur gehouden.

Aleixandre was zo'n geschikte Nobelprijskandidaat omdat hij niet alleen de bloei van voor de burgeroorlog vertegenwoordigde, maar ook was uitgegroeid tot de geestelijke mentor van een groot aantal jonge naoorlogse dichters. Zo sloeg hij een brug tussen het verleden en de jonge Spaanse democratie. Hij was altijd een tegenstander van de dictatuur geweest, maar omdat hij in zijn leven nauwelijks een half politiek gedicht had geschreven, paste hij perfect in het overlegmodel waarmee men de overgang naar een democratische orde in goede banen wilde leiden.

Was Aleixandre in politieke zin een dichter die zich perfect leende voor een niet-controversieel eerbetoon aan progressief Spanje, ook in literaire zin nam hij de middenpositie in die de Zweedse Academie doorgaans weet te bekoren: hij was begonnen als een gematigd surrealist, maar was in de loop der tijd steeds toegankelijker gaan schrijven, eeuwig gefascineerd door klassieke thema's als de aarde en de kosmos, de liefde en de dood.

Een groot publiek buiten Spanje heeft Aleixandre nooit kunnen bereiken, niet voor en niet na zijn Nobelprijs. Echt verbazend is dat niet voor wie de bundel onnavolgbare prozagedichten Pasión de la tierra (1935) leest, met passages als: `Daarom luister ik hier naar het sombere gerucht van de kaarten die geschud worden, en ik begrijp dat hun kabbalistische fonkeling de horoscoop is die ik voor mijzelf uitdenk, die lange vinger die zich splitst en, als een tang, de zenuw omklemt die wild met zijn staart zwiept.' (uit: `Schittering van de aas'). In Spanje zelf heeft het boek veel van zijn faam te danken aan de reputatie van de Generatie van '27 als geheel, het literaire symbool bij uitstek van de door Franco verslagen Republiek.

Pasión de la tierra is een typische bundel van een '27-dichter: optimistisch en beïnvloed door ongeveer alle avantgardistische bewegingen van het begin van de twintigste eeuw, zoals dadaïsme, futurisme en surrealisme, gecombineerd met een groot gevoel voor de Spaanse literaire traditie. Waarbij `27' vooral een vriendengroep was: de naam is dan ook niet ontleend aan de publicatiedatum van een manifest maar simpelweg aan de 300ste sterfdag van de door hen zeer bewonderde barokdichter Luis de Góngora (1561-1627).

In de loop der tijd raakte Aleixandre steeds verder van het surrealisme verwijderd. De ongebreidelde passie voor de aarde waarop hij leefde verruilde hij steeds meer voor een algemeen gevoel van verbondenheid met de rest van de mensheid, wat vaak in verband is gebracht met zijn door ziekbed en dictatuur dubbel geïsoleerde positie. Zelf noemde hij zijn ziekte ook als belangrijke reden waarom hij zich uiteindelijk volledig aan de literatuur wijdde: dichten kostte geen fysieke inspanning.

In 1944 publiceerde hij met hulp van vrienden en buiten de censuur om zijn beroemdste bundel Sombra del paraíso (Schaduw van het paradijs), waarin hij het verloren paradijs van voor de burgeroorlog bezingt. Die opent met het gedicht `De dichter', waarin hij op vaderlijke toon een dichter toespreekt. De golven van de zee laat hij `teder brullen' naar de wezens op het land. Daarmee heeft dichter de toon van zijn eigen poëzie precies gekarakteriseerd. Aleixandre brult, omdat hij de hele kosmos wil omvatten en vreest anders niet gehoord te worden, maar hij verliest nooit zijn tedere ondertoon; hij keert altijd weer op aarde terug. In hetzelfde gedicht staat de strofe:

Ja dichter, liefde en smart zijn je domein.

Sterfelijk vlees is het jouwe, dat, ontrukt door de geest,

Brandt in de nacht of opstijgt in het machtig middaguur,

Immense, profetische tong die de hemelruimten likt

En woorden in licht zet die de mensen de dood brengen.

Deze regels zijn Aleixandre ten voeten uit. Sombra del paraíso wordt algemeen gezien als de bundel die het scharnier vormt tussen de twee grote perioden in het oeuvre van Aleixandre: de extatische surrealist en de toegankelijker dichter die pogingen doet om met de rest van de mensheid te communiceren. Nog altijd schieten de profetische tongen door de hemel en ook klinkt het `schallende stemgedruis van de bossen' er nog in door, maar de ergste stormen zijn gaan liggen. Het gaat hem niet meer om de dingen waarin een individu uniek is, maar om datgene wat de mensen verenigt.

En het zou nog rustiger worden. In zijn laatste werk, zoals de bundel Poemas de la consumación (Gedichten van de voleinding) uit 1968 heeft de tederheid het definitief gewonnen van het brullen. En de dood is zijn belangrijkste thema geworden. De laatste tien jaar van zijn leven dichtte de fysiek steeds verder aftakelende Aleixandre nauwelijks nog. Hij stierf in 1984.