Fladderen tussen abstractie en het aardse

Enige tijd geleden zag ik hoe een jonge reiger zich bij een vijver in het bos tegoed deed aan een maaltje vis. Toen het dier vervolgens volgevreten op wilde vliegen merkte hij dat de bomen rondom de vijver zo hoog waren, dat hij niet meer kon ontsnappen. Dramatisch gefladder volgde.

Aan die jonge reiger doen sommige gedichten van Margreet Schouwenaar mij denken, en anders wel aan een te zwaar beladen Antonov. Vaak zijn ze zo vol van betekenis, klankrijm, abstracte symboliek en raadselachtige verwijzingen, dat het ze niet lukt genoeg hoogte te krijgen om op eigen kracht weg te kunnen vliegen.

Nu is het de vraag of deze gedichten eigenlijk wel op willen wieken. Want hoewel je ze geen muzikaliteit kunt ontzeggen met hun binnenrijm en stuwend ritme, lijken ze vooralsnog uit op het ontwijken van vogelvluchtperspectieven. Schouwenaars poëzie maakt eerder een struikelende indruk. Dat komt doordat de beelden of metaforen zelden meer dan enkele regels doorwerken; telkens dienen zich nieuwe associaties en wendingen aan. Haar gedichten verhouden zich tot veel andere hedendaagse poëzie als een volgepropte videoclip tot een stroperige natuurreportage op het kanaal van National Geographic.

Dat struikelende karakter moet het momentane van de waarneming verbeelden, en het niet minder veranderlijke van de taal: `Het beeld flitst in zich terug. Jij/ strekt je rug.' Of: `De vrouw die schoot gaf aan wie mij zou dragen./ Zij verzette zich niet. Hoedde niet. Voedde/ tot de leemte van het geven.// Ai die fondantstreken/ van de dwazen. Die talen naar de val! Wat was. Wat het ertoe doet. Plak/ mijn veren./ Een zon moet mij neerhalen.' Of zie het even rusteloze

Mensen zitten, eten iets. Vullen lanen,

pleinen. Nemen kinderen bij de hand,

staan op de weg. Het meeuwgeschreeuw.

De ijscoman. Het wikken over. Het feit

dat niets overal is uitgelegd. Geen deur

in de open deur opengezet.

Zo lopen de bladzijden, in staccato-achtig ritme, soms op het amechtige af, vol, waarbij `het feit, dat niets overal is uitgelegd' een understatement is. Want in tegenstelling tot de hier aangehaalde regels is het cryptogrammatisch gehalte van veel gedichten hoog.

Dat ligt aan een hang naar diepzinnige vaagheid, die in eerdere bundels ook te bespeuren viel.

wist ik terzelfdertijd

dat richting naar aankomst gemeten

het ongewisse bepaalt.

heette het in Bezijden tijd (1995), en in Van tijd het dood gewicht (1997) stonden veelvuldig regels als `Men heeft een hier bereid/ tot vertrekken.// Een uitweg/ ter grootte van een besef.'

Deze neiging tot abstracte begrippen en onbepaaldheid doet afbreuk aan de zeggingskracht. Bij Schouwenaar staan kasten met open laden `in/ een stilte wrang van eeuwigheid, nu/ kwijt de raad zich in een niet geraakt zijn.' Het gedicht `Avond in gezelschap', over een avond waarvan de dichter niet erg lijkt te genieten, eindigt met de regels `Voor elk ding verzint zich een verlangen, / wordt een verhaal ontwaard'.

Die wederkerende voornaamwoorden doen aan de wat oudere (dus jongere, ik bedoel vroegere) Kouwenaar denken, evenals het voorkomen van de woorden `vlees' en `brood' en de buitensporige belangstelling voor de taal van het gedicht, die vroeger `autonoom' heette. Aangezien deze poëzie zich bovendien kenmerkt door een opeenstapeling van beelden en waarnemingen, had ik de naam van de dichteres als ik niet beter wist voor een pseudoniem gehouden, een contaminatie van schouwen en Kouwenaar die onvermijdelijk op Schouwenaar zou uitkomen.

Het is een wat wonderlijke tegenstelling in deze poëzie, die neiging tot hermetische abstractie tegenover het aardse gehinkel met concrete beelden, en ik geloof dat de titel van de bundel, Talen naar de val, hier mee van doen heeft. In dat `talen' schuilt nog de `talige' belangstelling van de dichter, die spreekt van `taal kaalt', `taal schrikt op', maar dat talen, dat verlangen naar `de val' duidt vast ook op de hang naar het meer concrete, het aardse. In het gedicht `Langzaam huiswaarts rijden' vindt `het vleesgeworden woord' van `wachtenden' `tussen val/ en varen houvast'. Uit het titelgedicht haalde ik het slot reeds aan, dat naar de val van Icarus verwijst, die te dicht bij de zon kwam en neerstortte: `Plak/ mijn veren./ Een zon moet mij neerhalen' is beslist evenzeer een boodschap van de dichter tot zichzelf, om niet zwaar beladen de lucht in te gaan.

Een goede raad zelfs, zou ik zeggen, die veel dramatisch gefladder kan voorkomen. Het is weliswaar allemaal nogal poëticaal en je wilt wel eens wat meer van the real stuff in plaats van het autonome uit de jaren tachtig. Maar soms is die er, en dan merk je dat zich in deze vierde (echte) bundel van Schouwenaar een nieuw perspectief opent waarin het al te bewuste maken van het gedicht op de achtergrond raakt. Dan vergeet je de manke metaforen (`De horizon ligt/ als de bijlsnede van een dagloner' of in hetzelfde vers `de geschubde waakzaamheid/ van de steiger'). Dat is het geval bijvoorbeeld in het gedicht `Dochter' dat door titel en onderwerp misschien aan Eva Gerlach doet denken, en toch door staccato ritme en binnenrijm des Schouwenaars blijft:

De tijd groeit elders in de tuin

waar zij mij aarde, schoenen brengt.

Zij is mijn huisarrest, de staa

waarin ik mij bevind, de draa

die mij bindt (-)

Margreet Schouwenaar: Talen naar de val. Gedichten.

Querido, 55 blz. ƒ32,50