Euro Nederland ligt vast

In Nederland kan de euro niet sneuvelen. De politieke steun is maximaal, volksverzet maakt geen kans. Maar 53 procent van de Nederlanders zou, indien mogelijk, tegen stemmen.

Niets, of in ieder geval zeer weinig, bedreigt de invoering van de euro als wettig betaalmiddel in Nederland. De Europese munt heeft de steun van een onverwoestbare meerderheid in de Tweede Kamer. Een nationaal referendum, zoals gisteren in Denemarken, kan hieraan niets veranderen: een dergelijke volksraadpleging valt in Nederland niet te organiseren.

Het Verdrag van Maastricht (1991), waarin de komst van de euro is vastgelegd, heeft in de Kamer de steun gekregen van de grote fracties van PvdA, CDA, VVD en D66. GroenLinks en de kleine christelijke fracties stemden tegen. Inmiddels is alleen de SP-fractie, die in 1994 in de Kamer is gekomen, uitgesproken anti-euro. GroenLinks en klein-christelijk steunen de Europese (monetaire) integratie, maar onder strikte en verschillende voorwaarden.

De politieke steun voor de euro is maximaal. Volksverzet doet hieraan niets af: in de eerste plaats omdat dit hooguit sluimerend aanwezig is en in de tweede plaats omdat het niet kan uitmonden in een referendum.

Een raadgevend correctief referendum moet nog deze kabinetsperiode worden ingevoerd. Een wetsvoorstel hiervoor, waarmee D66 is `gelijmd' na de kabinetscrisis van vorig voorjaar, ligt op dit moment bij de Tweede Kamer. Voor invoering van een bindend referendum zijn (als het er ooit van komt) eerst verkiezingen nodig, omdat dit wijziging van de grondwet vereist.

Voor de invoering van de euro als betaaldmiddel hoeft geen nieuwe wetgeving meer te worden ingediend bij de Kamer. Daarmee is de Europese munt in Nederland geheel ongrijpbaar voor volksraadpleging, want het referendum-recht zal alleen gelden voor nieuwe wetgeving.

Gevoelens tégen de komst van de euro zijn er wel in Nederland. Het blijkt uit een deze week gehouden NIPO-enquête. Mocht er in Nederland een referendum zijn gehouden, dan zou 53 procent tegen de euro hebben gestemd, tegenover 31 procent voor, met 16 procent `geen mening'.

Georganiseerd verzet tegen de Europese eenheidsmunt ontbreekt in Nederland. Bij de verkiezingen van 1998 deed slechts één partij mee die een uitgesproken anti-Europese campagne voerde, de Nieuwe Midden Partij, geleid door ex-Kamerlid Martin Dessing (voorheen Nederlandse Middenstandspartij). De partij bleef ver beneden de kiesdrempel.

Ongerustheid in Nederland over de euro concentreert zich geheel op mogelijk praktische problemen rondom 1 januari 2002. De detailhandel voorspelt chaos bij de kassa's wegens problemen met wisselgeld en banken vrezen onrust bij de loketten.

Minister Zalm (Financiën) heeft, naar aanleiding hiervan, al diverse malen met de Kamer in de clinch gelegen over het sneller, langzamer en/of eerder beschikbaar stellen van de eurobiljetten en -munten.

Europarlementariër Karla Peijs (CDA) meent dat het kabinet veel te `hoekig' omgaat met de introductie van de euro, waardoor het vertrouwen van de bevolking ,,nodeloos'' op de proef wordt gesteld. Maar van breed verzet tegen de munt als zodanig zal geen sprake zijn: ,,Wij hebben een handelstraditie. De voordelen van de eenheidsmunt hoef je aan Nederlanders niet uit te leggen'', zo stelt Peijs.