Durfkapitaal zonder risico

Wie geld over heeft kan dat lucratief in- vesteren in een Neder- landse speelfilm. Dat is goed voor zowel de speelfilmindustrie als de belegger. Blijft dat zo? En worden de films er beter van?

,,In het eerste gedeelte van de avond praten wij over de film'', zegt presentator René Mioch nadat hij zijn publiek heeft verwelkomd. ,,In het tweede deel praten wij over de fiscale regeling.''

In het zaaltje gaat een vinger omhoog. ,,Kunt u de volgorde ook omdraaien?''

Dit stuk gaat niet over Zus & Zo, de nieuwe film van regisseur Paula van der Oest. Dit stuk gaat over de financiering ervan via de zogeheten commanditaire vennootschap (CV). Want, zoals fiscalist Frank Mélotte van Berk in Amsterdam in het tweede deel van de avond aan de zaal zal uitleggen: ,,Hoe mooi en hoe prachtig de film ook is, het is ook een fiscaal product.''

Dit stuk gaat niet over de acteurs Jaap Spijkers of Sylvia Poorta en welke rol zij spelen in Zus & Zo. Dit stuk gaat over mensen die op een doordeweekse avond naar dit zaaltje zijn gekomen om te beslissen of ze hun geld in Cine Summer CV zullen stoppen.

Het gaat over de man die gedurende het eerste deel van de avond op zijn horloge, naar zijn schoenen en uit het raam kijkt. En die in het tweede deel van de avond vraagt hoe hij kan weten dat Zus & Zo een succes wordt. Kan René Mioch - de bekende presentator van het Veronicaprogramma `Films & Sterren' - een recente Nederlandse film noemen die aan de kassa zijn geld opbracht? Kan Mioch inschatten of Zus & Zo de in de brochure voorgespiegelde 500.000 bezoekers haalt?

Het gaat over de vraag of de fiscale voordelen voor de filminvesteerder leiden tot een gezonde Nederlandse filmindustrie. Of liever: over de vraag of ze hádden kunnen leiden tot een gezonde Nederlandse filmindustrie. Want de regeling is op Prinsjesdag vorige week bij het vuil gezet. En niemand die weet wat ervoor in de plaats komt.

De kwijnende en uit subsidiepotjes aan elkaar gelijmde Nederlandse speelfilm moest een commerciële injectie krijgen, daarover waren filmwereld en overheid het roerend eens halverwege de jaren negentig. Producenten, die verslaafd waren geraakt aan de financieel uiterst coulante filmfondsen, moesten films gaan maken met geld van en oog voor de markt.

Een jaar geleden moest regisseur Paula van der Oest de punten en komma's in haar scenario nog verdedigen voor commissies van vakgenoten en subsidiebewaarders - ,,De eindeloze procedures van het Filmfonds zitten me tot hier'', zegt ze, wijzend op haar keel. Nu laten zij en producent Jacqueline de Goey vanuit het Utrechtse zaaltje heel andere vragen op zich afvuren. Ja, ik ben publieksgerichter gaan denken. Nee, ik heb niet gevraagd of Katja Schuurman een van de drie zusters wilde spelen.

Tot twee jaar geleden was de geloofsbrief van regisseur en producent het filmscript. Nu is dat de prospectus van de CV geworden. ,,Hier'', zegt Paula van der Oest, wijzend op de twee getallen op het voorblad van de prospectus voor Cine Summer CV/Zus & Zo. Gegarandeerd rendement 8,5% staat er, en geprognosticeerd rendement 36,4%. (Zie kader)

De steunmaatregel voor de filmindustrie is mede aan zijn rendement ten onder gegaan. Toenmalig staatssecretaris van Financiën, Willem Vermeend, ging in 1998 akkoord met een fiscale constructie die het voor particulieren aantrekkelijk maakt om als stille vennoten geld in een speelfilm te investeren. Dat geld wordt door de overheid consequent `durfkapitaal' genoemd - geld dat mensen met een hoog belastbaar inkomen `over' hebben en waarmee ze wel eens een gokje willen wagen.

Dat heeft de Belastingdienst geweten. De maatregelen waren zo aantrekkelijk dat slimme fiscalisten en juristen constructies konden bedenken waarin het rendement werd gegarandeerd zoals de 8,5% bij Zus & Zo. Wat de ambtelijke bedenkers van de constructie voor ogen stond was dat de rijkere filmliefhebber zijn spaargeld tegen gering risico in Nederlandse films zou steken. Wat gebeurde was dat grote financiers er een beleggingsproduct van maakten, waarmee zij hun klanten en zichzelf risicoloos rijk konden maken.

De eerste echte film-CV werd gearrangeerd door de ABN Amro bank. Die wist voor de film Little Vampire 23 miljoen gulden `uit de markt te halen'. Dat was naar verluidt het moment dat de eerste met de filmmaatregelen belaste belastinginspecteur met ziekteverlof ging. Ook de tweede belastinginspecteur voor film kon geen rem zetten op de toeloop van investeerders uit binnen- en buitenland.

Dat was dus ook het moment dat de sterke verhalen de ronde gingen doen, voor er nog maar één fiscaal ondersteunde film in de bioscoop draaide. En ze gaan nog steeds rond.

Die verhalen komen uit de filmwereld zelf en de kern van al die verhalen is dat er misbruik wordt gemaakt van de regeling. Buitenlandse investeerders zouden via brievenbus-bv's het Nederlandse belastingvoordeel opstrijken of Nederlandse financiers halen belastinggeld op voor feitelijk buitenlandse films. Is tachtig procent van het budget van Little Vampire uitgegeven in Duitsland? Hoe Nederlands is de film Enigma, geregisseerd door Michael Apted, met onder meer Kate Winslet in de cast en geheel opgenomen in Engeland? En heeft Mick Jagger inderdaad een bedrijfje in Nederland opgericht om deel te kunnen hebben aan het fiscale voordeel in de vennootschap die Enigma, Jeroen Krabbé's The Discovery of Heaven en Fogbound van Ate de Jong produceert voor tezamen 110 miljoen?

Volgens Gamila Ylstra, die bij Economische Zaken de regeling hielp uitdenken, is ongeveer eenderde van de films die met CV-geld zijn geproduceerd, niet púúr-Nederlands. Die internationale coprodukties (meestal met Nederlands aandeel) hebben ongeveer driekwart opgehaald van de in totaal 300 miljoen gulden die de afgelopen anderhalf jaar bij particulieren is geworven. Met navenant belastingvoordeel.

De discussie in de filmwereld heeft zich geconcentreerd rond een paar buitenlandse films die volgens producenten onterecht fiscaal voordeel zouden krijgen, Enigma en Ocean Warrior. Ylstra stelt voorop dat samenwerking met het buitenland altijd de bedoeling van de regeling geweest. Die zou alleen na twee jaar ervaring zijn bijgesteld om misbruik onmogelijk te maken. Door eisen te stellen aan de Nederlandse bestedingen van de produktie, bijvoorbeeld.

De commotie heeft de politieke opinie doen omslaan van: ja, we steunen de film naar: nee, geen belastinggeld verspillen. Jammer, zegt Ylstra, die tegenwoordig zelf als CV-arrangeur opereert in het met overheidsgeld opgezette Fine BV. Jammer, want ,,we zitten op de goede weg''.

Er worden veel meer films in Nederland gemaakt dan voorheen en voor filmcrews zijn het gouden tijden. Ze zijn continu aan het werk en ze worden eindelijk normaal betaald. Of normaal... regisseur Paula van der Oest zegt dat stagiairs van de Filmacademie nu op de set 300 gulden per dag verdienen. ,,Wij kregen hooguit 350 gulden per week.''

Zo hadden de bedenkers van de regeling het ook bedacht. Meer geld = meer films = continuïteit in het filmbedrijf. ,,Wij hadden de overtuiging dat daardoor de kwaliteit zou worden gestimuleerd'', aldus Ryclef Rienstra, directeur van het Nederlands Fonds voor de Film.

Klein publiek

Als de regeling nu nog drieënhalf jaar zou blijven bestaan, zoals bij de invoering de bedoeling was, zou de discussie uiteindelijk kunnen gaan over kwaliteitsvragen. Is het verantwoord dat iemand in één jaar tijd carrière maakt van assistent-belichter naar chef belichting? Moet de overheidssubsidie, die nu nog wordt toegekend aan veel CV-films, niet exclusief worden gereserveerd voor interessante films voor een kleiner publiek? Met andere woorden: kan de Nederlandse publieksfilm zo goed worden dat het duffe imago eindelijk plaatsmaakt voor opwinding?

Dat kost tijd. In Ierland bestaan de fiscale maatregelen al langer. De Ier David Kavanagh legde vorige week zondag, tijdens een discussie over de filmfinanciering op het Nederlands Film Festival, uit dat de continuïteit van de Ierse speelfilmindustrie op peil is: twintig films per jaar. ,,Er komt alleen haast niemand naar kijken.''

Maar in Nederland is die tijd er niet. Oorspronkelijk zou de regeling vijf jaar gelden, maar de looptijd wordt met twee jaar bekort, zei staatssecretaris Wouter Bos (Financiën) op Prinsjesdag. Hij heeft zich verplicht tot `een inspanning' om vervangende voordelen voor de filmsector te zoeken. Filmbonzen als Gamila Ylstra en Ryclef Rienstra hebben hun twijfels of dat lukt. ,,Ik merk vanuit het departement nog maar weinig enthousiasme voor fiscale maatregelen'', zegt Ylstra. ,,Ik denk aan een investeringsfonds voor producenten'', zegt Rienstra.

Dus is de enige relevante vraag die overblijft voor de Nederlandse filmindustrie: wat gebeurt er na 2001? Maakt producente Jacqueline de Goey zonder fiscale maatregelen over twee jaar nog een Zus & Zo? Nee, denkt ze. Het budget van de film is 5,3 miljoen en via de `oude' financieringskanalen is hooguit 3,5 miljoen bijelkaar te halen. En voor 3,5 miljoen kan het niet, wil ze het niet.

De kans dat de huidige investeerders aardigheid krijgen in films en geld blijven geven, is gering. Een op de tien films is een succes, de volgende twee lopen redelijk, de rest flopt. Zelfs heel toegewijde filmfans zullen aarzelen om die gok te nemen. De onzekerheid is nu al merkbaar, zeggen financiers. Voortdurend vragen de commandieten (de deelnemers aan een commanditaire vennootschap) wat de status is van de `overgangsregeling' die volgend jaar geldt. ,,Kan ik ervan opaan dat het gaat zoals ze zeggen?'', vraagt een vrouw zich af in het Utrechtse zaaltje. Er zitten deze avond 35 mensen, van wie hooguit eenderde potentieel geïnteresseerden. Zenuwachtig van de geringe opkomst zijn de organisatoren niet. Volgens financier Andries de Boer – wiens klanten doorgaans in vastgoed of scheepvaart beleggen – hebben al 184 mensen gemeld dat ze een participatie zullen nemen. Ze kunnen er 154 plaatsen. Hij zegt het zo tegen de zaal: ,,Ik zeg niet dat het geen nut meer heeft om in te schrijven.''

In de pauze staan fiscalist Mélotte en arrangeur De Boer tevreden rond te kijken. Staan ze over twee jaar nog in zo'n zaaltje? Mélotte zegt: ,,Als het produkt er nog is, wel.'' En dan heeft hij het niet over het produkt film.

De kans is groot dat Paula van der Oest in 2002 weer moet opdraven voor de commissies van de subsidiefondsen. Dan moet Jacqueline de Goey weer voortdurend rondjes lopen langs dezelfde loketten van Filmfonds en omroepen voor de laatste 100.000 gulden om haar begroting te sluiten. Dan moeten filmcrews aan het eind van de draaidagen weer horen dat ze maar een deel van hun salaris kunnen krijgen. Dan kon 2001 wel eens de filmgeschiedenis ingaan als het jaar dat Zus & Zo nog kon worden gemaakt.