De stratengids van de verbeelding

Ferrara is de stad van de schrijver Giorgio Bassani. Hij beschreef het onzichtbare verleden, hij tilde de stad op en maakte haar zichtbaar. Hans Keller filmde er.

Het is 11 augustus 1999. Rome.

Recht tegenover ons terras vangt een Japanner de sikkel van de zon in zijn zakspiegeltje en laat de weerkaatsing ervan dansen tegen het plafond, hoog in het voorportaal van het Pantheon. Hij is verstandiger dan de opgewonden mensen om hem heen, die door met schoensmeer besmeurde glasscherven, donkere filmstroken of gewoon door hun zonnebril recht in de zonsverduistering turen. Op het dieptepunt van het verschijnsel zakt er een donkergeel schemerlicht over het pleintje, day-for-night, alsof we in een filmstudio zitten vlak voor de aanvang van een nachtscène.

Onze opnamen zijn al achter de rug. Die ochtend filmden we in het appartement van de schrijver Giorgio Bassani, foto's, handschriften en andere documenten uit zijn biografie, de blik uit het venster op de Tiber, het trappenhuis vol lege galm, de deur van waarachter soms gestommel had geklonken. De hoop op een interview was al snel vervlogen. We kregen hem noch te spreken noch te zien, op die ene glimp na. Ik had Portia Prebys gevraagd of de schrijver dan misschien wel in staat was mijn meegebrachte Nederlandse exemplaar van zijn Het Verhaal van Ferrara – het recent verschenen verzamelde werk van Bassani – te signeren. Ze verdween met mijn boek achter die deur. Portia Prebys is al jaren zijn levensgezellin, een kolossale Amerikaanse dame, de laatste in een lange stoet van over hem redderende vrouwen na het nooit ontbonden huwelijk met zijn in Ferrara achtergebleven echtgenote. Hun verhouding, begonnen in 1978, werd oorzaak van tal van onverkwikkelijke schandalen. Maar ook in zijn toenemende dementie, die hem in het openbaar tot zwijgen bracht, is zij hem en zijn oeuvre trouw gebleven. Teruggekeerd, zei ze: ,,Een ogenblikje'', en was weer grote glazen ijskoud aardbeiensap voor ons gaan inschenken, terwijl Niels van 't Hoff zijn camera naar het venster sjouwde om een gefilmde blik op de Tiber te werpen. Toen had ik achter me weer gestommel gehoord en omkijkend gezien hoe in de deuropening een bevende hand, gestoken in een zijden pyjamamouw, mijn boek ophield.

,,Staat erop'', zei Niels. Ik hoorde hoe de deur werd gesloten en zag op de monitor verbeten toe hoe de rivier achter de zacht opwaaiende vitrage zoetjes voortrimpelde.

Deze filmmaker had de eerste en laatste glimp die hem onverhoeds van zijn onderwerp was gegund, faliekant gemist. Zou ik wat ik als enige had gezien maar niet liever verzwijgen?

Terwijl de Japanner het zonnesikkeltje nu over de ronde wanden van het Pantheon liet dansen, vertelde ik wat er was gebeurd en door de camera niet was gezien. Het boek met Bassani's ballpoint-kriebeltje erin – mijn naam, de datum, Rome, zijn naam – ging zwijgend van hand tot hand. De denkbeeldige nachtopname was in volle gang. Het leek wel of de zonsverduistering ook mijn doorgaans gelukkige gesternte in het donker had gehuld. De geluidsman zei: ,,Ach, wees toch blij met je boek.''

Dat was ik al jaren eerder, toen ik tijdens een argeloos begonnen vakantiereis onderweg zijn roman De Tuin van de Finzi-Contini's las. Het was nabij Grenoble dat ik het boek dichtsloeg. We sloegen linksaf, de grens en de bergen over, richting Ferrara. Ik was nooit eerder in dat ommuurde stadje tussen Venetië en Bologna geweest – een overzichtelijke verheffing van baksteen met wat torens hier en daar, maar vooral muren, muren – en toch was de herkenning net zo vertrouwd als voor wie, Joyce's Ulysses kennende, voor het eerst in Dublin rondwandelt.

Van de Ierse hoofdstad wordt wel gezegd dat ze, na door een aardbeving te zijn verwoest, aan de hand van dat boek steen voor steen weer precies zo zou kunnen worden opgebouwd. Hetzelfde geldt voor Bassani's Ferrara, zeker sinds ik na lang wachten op de complete Nederlandse vertaling van zijn werk (meer dan 700 onberispelijke pagina's) bemerkte, dat al zijn verhalen en romans in en rond dat stadje zijn gesitueerd. Bij elkaar vormt Het Verhaal van Ferrara op het eerste gezicht een koor van druk door elkaar heen pratende stemmen van de bewoners in een perfect kloppende stratengids van de stad. Dan blijkt zijn geregen snoer van vertellingen ook een stratengids van de verbeelding te bevatten, waarin Ferrara uitgroeit tot metaforische proporties. Het `toneel van mijn provincietheatertje', zoals Bassani schrijft, uit de onaanzienlijke coulissen waarvan de tragiek van de twintigste eeuw onvergetelijk gestalte krijgt.

Telkens gaat het in zijn verhalen over het veelvuldig verlies dat de bewoners van Ferrara hebben geleden in de jaren van het fascisme (die in Italië, sluipend sinds Mussolini's mars op Rome in 1923, zoveel langer duurden) en de nog altijd niet afgesloten periode van wegkijken en zwijgend ontkennen die daarop volgde. Ze gaan vooral over de teloorgang van de joodse gemeenschap in de stad, terwijl `de andere mensen' de blik afgewend hielden, de meeste daders na afloop lieten gaan, uit angst, hen niet eens nawezen, niet eens onder elkaar bespraken, want je kon niet weten of ze het ooit weer voor het zeggen zouden krijgen.

De Grote Gebeurtenissen van die fatale decennia trekken in Bassani's schijnbaar licht getoonzette verhalen hun eigen sporen door de straten van het stadje, de Viale Cavour, het Domplein, langs de terrassen van de rondom gelegen cafés, de Via Mazzini. Je hebt kans in een oude kantoorboekhandel nog dezelfde ansichtkaart te vinden die Bassani gebruikt om zijn novelle Een wandeling voor het eten te beginnen. Het is een verhaalprocédé waar je als filmmaker van droomt. Bassani vertelt niet alleen wat hij vertelt, hij vertelt ook hoe hij het doet. Hij fluistert je toe waar de camera moet staan, hoe je moet kadreren en wat je dan ziet.

Wat ik wilde is een type verhaal creëren, dat door zijn vorm, door hoe het is opgebouwd, doet denken aan een heel traag `long shot' van een rijdende filmcamera. Een aanvankelijk nauwelijks te onderscheiden beeld, dat heel, heel langzaam – alsof het tegenstribbelt – scherp wordt gesteld. Die structuur zegt: het verleden is niet dood, dat gaat niet dood. Eeuwig. En toch steeds verder weg, steeds moeilijker te grijpen. (-) De afstand wordt elk moment groter. Maar je kunt het verleden terughalen – als je dat echt wilt.

Het citaat is afkomstig uit een van de Drie Apologieën, waarmee hij zijn oeuvre toelichtte en afsloot. Het is de definiëring van een dubbele werkelijkheid, die de grens tussen het heden en wat op die plek eerder gebeurde zo dicht mogelijk nadert. Als de schemering over de stad valt en de bedrijvigheid van alledag stilaan heeft verdreven, sluipt het verleden terug in de straten. Er valt een schaduw over een gedenkplaat. Een wegrijdende auto verdwijnt in de schim van een pantserwagen. In een hoog venster aan de overkant houdt een gestalte met een verrekijker het trottoir in de gaten, waarop in die lange nacht van 1943 elf gestalten de kronkelende dans van de dood maakten toen ze door de leden van de zwarte brigade werden neergemaaid. ,,Niet lopen daar'', klinkt het nog tientallen jaren later uit dat hoge venster, wanneer een argeloze toerist 's avonds langs dat muurtje op weg is naar zijn bestemming. Van het vrijwel verlaten terras eronder klinkt een lach uit de mond van iemand die het fascistenbaardje in ere heeft gehouden en ook overdag alweer het hoogste woord voert. Een van de daders van toen?

Ook hij wordt in de gaten gehouden, nu weer door de beschaamde herinnering aan die gebeurtenis.

Het is een schuldige topografie van hellende pleinen, gekromde straatjes, kaarsrechte fietspaden en schoongeboende muren: de topografie van Bassani's Ferrara. In elk verhaal is in zijn provinciestadje wel een toeschouwer aanwezig die, uit een hinderlaag op de hoek van een straat, achter een deur of aan het eind van een gang, ziet hoe een gebeurtenis uit het verleden voor een ogenblik in het heden terugkeert. En weer verdampt. Is er iets gebeurd? Ja, de aandacht is gescherpt. En in het ogenschijnlijk vanzelfsprekende heden is er voor altijd iets veranderd.

Dikwijls is Bassani zelf die toeschouwer-verteller. Veel heeft hij geput uit zijn eigen biografie, de zonnige beloften van zijn jeugdjaren, de lichtheid van zijn stad, waarover traag en onontkoombaar de schaduw valt van het tijdsbestek. Bassani zelf was in zijn jongelingsjaren lid van de Ferrarese tennisclub die hem in 1938 met de andere joodse kinderen de toegang tot de banen ontzegt. In zijn roman De Tuin van de Finzi-Contini's nodigt de vermogende joodse familie van die naam vervolgens de uitgestoten jongelui uit om van haar privé-baan gebruik te maken. Die familie is maar half verzonnen. Op een gedenkplaat aan de gevel van de synagoge in de Via Mazzini in het oude getto van Ferrara, waarin de namen zijn gehakt van 183 Ferrarese joden die in september 1943 naar de vernietigingskampen in het oosten werden afgevoerd, komen zeker vijf Finzi's voor. Aan het eind van zijn roman treft de Finzi-Contini's hetzelfde lot. In de dochter des huizes Micol moet Bassani de fietsende meisjes uit zijn jeugd hebben samengevat op wie hij verliefd was. Maar Micol laat hem geen illusie. Alsof ze haar naderende dood voorvoelt, zegt ze dat ze de toekomst hoe dan ook verafschuwt, dat zij de voorkeur geeft aan het verleden – het dierbare, zoete, goddelijke verleden.

Diezelfde gedenkplaat in de Via Mazzini keert terug in het verhaal `Een gedenkplaat in de Via Mazzini'. Het begint met de metselaar, die er in de gevel van de synagoge aan staat te werken. Een voorbijganger ontwaart zijn eigen herdachte naam. In de werkelijkheid van augustus 1945 was dat een zekere Eugenio Ravenna (nog altijd valt die naam in de Via Mazzini te bezichtigen), die – door niemand herkend – op die dag uit het vernietigingskamp in Ferrara was teruggekeerd. In het verhaal heet hij Geo Josz, die de dagen en weken na zijn onverhoedse terugkeer steeds wanhopiger pogingen onderneemt om weer door de stad en zijn bewoners te worden opgenomen. De schaamte en schuldgevoelens die zijn aanwezigheid bij hen wekt – als die van een geestverschijning – maken dat ze zijn terugkeer eigenlijk onterecht vinden.

Was hij weggebleven, dan was er niets aan de hand geweest, daarom negeren ze hem liever. Josz begint zich nu overal in de stad steeds manifester te vertonen. Het is een bijna panische opsomming van straten, pleinen, cafés en terrassen, waar de mensen zich bij zijn nadering omdraaien, weglopen of overdreven druk met elkaar over iets anders in gesprek raken. Dan slaat Josz in een drukke straat bij vol daglicht een voormalige fascistische spion, die weer praatjes heeft voor tien, plotseling recht in zijn gezicht. Men spreekt er schande van.

Dat zou je eerder verwachten van een oude fascist dan van iemand, die uit de Duitse gaskamers is ontsnapt.

Ineens staat hij in zijn oude kampuniform in de straten van Ferrara. Het is zijn laatste hartverscheurende poging tot terugkeer. Tevergeefs.

Als een romanfiguur verdween hij plotseling zonder enig spoor achter te laten. Als hij nu wat meer geduld had gehad? Maar niks hoor. Hij had er de voorkeur aan gegeven er een drama van te maken.

`Een gedenkplaat in de Via Mazzini' is een sleutelverhaal. De formaliteiten van het herdenken, die zijn bedoeld om dat verleden verzoenend dicht te metselen, breekt hij daarin keer op keer open, zodat het verleden weer voor een ogenblik in het heden kan terugkeren – zodat de herinnering in de gaten kan houden wat hier tegenwoordig aan de hand is.

Het is 17 april, 2000. Ferrara.

Niels, de cameraman, pakt in Oeganda zijn koffers. Bert, de geluidsman, zwerft nog door Albanië. Hein Aalders – hij heeft de research voor deze film verricht – en ik zijn hier vanochtend aangekomen, zoals we dat maanden tevoren hadden gepland. Maar dat Bassani vanmiddag zal worden begraven, was natuurlijk niet te voorzien. Vlak voor ons vertrek stierf de schrijver en na het horen van dat nieuws heb ik me thuis de werking van een kleine aap-noot-mies-camera laten uitleggen om nu niet ook de laatste glimp te missen.

We staan bij de gesloten poort van de joodse begraafplaats, de zwarte auto is nog niet gearriveerd, het wordt allengs drukker. Wat zal ik doen? Wat zou ik nu tegen Niels zeggen? Het zweet breekt me uit, ik heb dit nooit eerder gedaan. Er zijn tientallen mogelijkheden, hoe begin je? Dan stapt een geüniformeerde beambte van zijn fiets. Naar hem durf ik door de camera te kijken. Hij schroeft een vaandel in elkaar, dat daarnet nog een pakketje op zijn bagagedrager was. Waar het vandaan komt, weet ik niet, maar op dat moment schiet me de Nina Rota-melodie uit Fellini's Amarcord te binnen – en dan begint het te gebeuren. Een dame, die vlak voor de lens in de lach schiet, doet mee. ,,Giorgio, hij ging zo graag door voor katholiek'', schatert ze. Misprijzend gemompel om haar heen, maar ook hier en daar een glimlach. ,,Pronto'', zegt de wachtende rabbi als zijn zwerftelefoon afgaat. Agenten, die hun witte handschoenen aantrekken, de eerbiedige haag die zich vormt als de auto nadert, een uur te laat, omdat de staatssecretaris uit Rome vertraging had. Als iedereen met inderhaast uitgereikte kartonnen keppeltjes op de kruin de kist omringt – de weduwe aan deze, zijn Amerikaanse vriendin aan gene zijde – zal hij in zijn toespraak Bassani in alle toonaarden prijzen en suggereren om Ferrara's publieke park voortaan naar hem te noemen. Opnieuw schiet de dame in de lach: `Die vuilnisbelt?' Alom gesis, maar weer getemperd door hier en daar een glimlach.

Als we uren later het hotel opzoeken, waar we ons voor de komende tien dagen – en nu ook als kwartiermakers voor de ploeg – nog moeten installeren, blijkt de stad te zijn volgeplakt met Bassani's portret. Omringd door circusplakkaten, aankondigingen van popconcerten, gelegenheidstentoonstellingen en wat er verder nodig moet worden aangekondigd, is dat blijkens een bescheiden tekst de laatste groet van de gemeente Ferrara aan een geacht burger.

Dat had ik in Amsterdam graag gezien bij de dood van Lucebert. ,,Maar dit is Italië, daar is het Holland'', zegt Hein. Hij huurt twee fietsen zodat we de komende dagen, al peddelend door de vertrouwde straten en pleinen, een samenhangend draaiboek kunnen maken. Steeds met de denkbeeldige blik van Bassani over de schouder.

De laatste draaidag vindt plaats op de joodse begraafplaats. Bassani's graf blijkt gedolven aan de rand, vlak bij de bakstenen stadsmuur. De bloemen zijn verwelkt en zullen blijven liggen tot ze zijn vergaan. Erboven schuiven de rustige silhouetten langs van wandelaars en fietsers.

...rijen mooie meisjes, twee aan twee, terugkerend van een tochtje buiten de stad, hun stuur beladen met veldbloemen...

Eronder ligt Bassani nu tussen de stadgenoten die hij hoe dan ook tot leven wekte. Niet ver bij hem vandaan staat de graftempel, die hij heeft beschreven in De Tuin van de Finzi-Contini's, maar ook niet te dicht erbij. In werkelijkheid liggen hier de Finzi-Magrini's. Bassani heeft eigenlijk niets verzonnen. Hij heeft Ferrara gelaten zoals het is, het enkel opgetild en in een schitterend gebaar, een lichte siddering, geordend zodat de dingen, de mensen en de ware verhoudingen voor een ogenblik verblindend helder werden.

Toen heeft hij de stad weer teruggelegd, in de bladzijden van zijn verhaal van Ferrara, door een floers van tranen.

De film `Daar, aan het eind van de gang' over Bassani's Ferrara wordt uitgezonden op zondag 1 oktober, Nederland 3, VPRO, 19.30 uur