De lange afrekening met Descartes

Wat heb je aan filosofen die nadenken over taal in plaats van over de zin van het leven? Toch is taalfilosofie de discipline waar vooruitgang wordt geboekt in het beantwoorden van klassieke wijsgerige vragen, zoals die naar kennis en waarheid.

`Waarom houdt een analytisch filosoof, toch iemand met een goede opleiding en, mogen we aannemen, een redelijk verstand, zich voortdurend bezig met taal? Laat hij liever nadenken over echte wijsgerige problemen!' Zo recht toe, recht aan wordt het nooit gezegd, maar de teneur van deze opmerkingen klinkt door in talloze uitlatingen over de analytische filosofie.

Het is waar, de filosofie zoals die vooral in Engelstalige landen wordt beoefend, bestudeert taal. Zij doet dit, omdat zij ervan uitgaat dat de grote problemen uit de geschiedenis van de wijsbegeerte opgelost kunnen worden door ze te herformuleren als taalfilosofische vragen.

Op het Europese continent, en zeker in Nederland, kijkt men hier van op. Daar leeft de overtuiging dat een filosoof eerst de lange mars door de geschiedenis van de wijsbegeerte moet maken voor hij de pretentie mag hebben zelf iets te beweren. De Amerikaanse filosoof Hilary Putnam heeft dit verschil in benadering aardig samengevat: `Wanneer een Franse filosoof wil weten of het begrip `waarheid', of het begrip `teken', of het begrip `verwijzing' consistent is of niet, gaat hij aan de slag door te kijken bij Aristoteles, Plato, Nietzsche en Heidegger en niet door te kijken hoe de woorden 'waarheid', 'teken' en 'verwijzing' worden gebruikt. Maar dat zegt meer over de Franse filosofie dan over waarheid, teken of verwijzing.'

Putnam is als één van de weinige analytische filosofen goed op de hoogte van de continentale wijsbegeerte. Zijn belangrijkste eigen bijdrage is dat hij de philosophy of mind, de filosofie van de geest, op zijn kop heeft gezet. Sinds Descartes meende men dat de mens in twee werelden leeft: een `buitenwereld' waarin ons lichaam rondwandelt en die we met onze zintuigen waarnemen, en een `binnenwereld' die we betreden door onze ogen te sluiten, waarna we in onze geest het licht aandoen en ons innerlijk gaan verkennen.

Buitenwereld

Wat we in die binnenwereld aantreffen, onze gedachten, kunnen we in deze opvatting beschrijven zonder dat we er rekening mee hoeven te houden dat er een buitenwereld bestaat. Tenminste, zo dacht men tot Putnam met een gedachtenexperiment aantoonde dat het dualisme van binnen- en buitenwereld op een misvatting berust, hetgeen vóór hem Heidegger en Wittgenstein al hadden betoogd. De vraag is, aldus Putnam, hoe woorden verbonden zijn met de werkelijkheid. Wanneer we het woord `water' horen, denken we aan een substantie die uit de hemel valt, door rivieren stroomt, en waarmee we dorst lessen. Je zou dan kunnen zeggen dat de gedachte, dat wat `in ons hoofd zit', bepaalt waar het woord `water' naar verwijst in de buitenwereld.

Volgens Putnam kan dat antwoord niet kloppen. Stel dat er zich ergens in het heelal een exacte kopie van de aarde bestaat. Alles op deze tweeling-aarde is identiek met alles op onze aarde, met één uitzondering: de vloeistof die dáár uit de hemel valt, door de rivieren stroomt en dorst lest, is niet H2O, maar XYZ. Als onze dubbelgangers over water spreken, bedoelen zij dus een ándere substantie dan wij, ofschoon ze precies dezelfde gedachten verbinden met het woord `water'. Dit betekent dat niet onze gedachten bepalen waar onze woorden naar verwijzen, maar de werkelijkheid zelf. Sindsdien is de meerderheid van de filosofen ervan overtuigd dat als we iemands gedachten willen beschrijven, we altijd zijn omgeving in ogenschouw moeten nemen. Anders dan Descartes meende, kan de `binnenwereld', en dus ons denken, niet los gezien worden van de waarneembare, fysieke werkelijkheid.

De conclusie dat de werkelijkheid bepaalt waar onze woorden naar verwijzen houdt een radicaal realistisch standpunt in: de werkelijkheid moet minstens even gestructureerd zijn als onze taal. Die structuur hoeven wij bovendien niet eens te kennen. De idealist, daarentegen, is overtuigd van het tegendeel. Volgens hem is de werkelijkheid juist het product van denken en taalgebruik.

Putnam zelf schrok terug van de realistische consequentie van zijn redenering, omdat hij inzag dat de werkelijkheid nu eenmaal alleen beschreven kan worden in een taal die door mensen is uitgevonden; ons begrip van de werkelijkheid is `intern' aan ons conceptuele kader. Een zin begrijpen, betekent in die opvatting dat we idealiter wéten onder welke omstandigheden die zin waar is.

In zijn nieuwe boek The threefold cord mind, body, world vertelt Putnam dat hij al toen hij dit `interne realisme' verdedigde, gekweld werd door een groot probleem dat aan dit standpunt kleefde. Hoe zit het met uitspraken als: `er bestaan geen buitenaardse wezens'? We begrijpen deze zin en kunnen die zelfs voor wáár houden, zonder dat we enig idee hebben wat de ideale omstandigheden zouden zijn om dat aan te tonen. Hoe nu? Extreem realisme is niet aantrekkelijk, maar het alternatief, intern realisme, blijkt onhoudbaar.

Impasse

Een uitweg uit de impasse vindt Putnam door het cartesiaanse dualisme nog scherper te bestrijden, met name het daarbij behorende begrip `representatie'. Volgens de idealist is een gedachte een representatie van onze begrippen die op de werkelijkheid afgebeeld worden. Volgens de realist is het andersom, en is een gedachte een weerspiegeling van een stand van zaken in de werkelijkheid. Maar beiden denken dat representaties nodig zijn om te bemiddelen tussen een binnen- en een buitenwereld. Putnam verwerpt deze tweedeling nu geheel: er is geen kloof tussen geest en wereld die door representaties moet worden overbrugd. In de waarneming, en daarmee in ons denken en taalgebruik, wordt de werkelijkheid direct voor ons ontsloten. Dat betekent dat denken en taal altijd afhankelijk zijn van de context waarin gedacht en gesproken wordt. Binnen- en buitenwereld zijn niet gescheiden, maar altijd bij elkaar betrokken en op elkaar aangewezen.

Helemaal nieuw is deze gedachte niet. Putnam benadrukt dat hij schatplichtig is aan twee helden van de taalfilosofie: Wittgenstein en Austin, terwijl John McDowell de eer toekomt hem te hebben aangezet zijn eerdere positie te heroverwegen. Van deze laatse filosoof, die al jaren het cartesiaanse dualisme bestrijdt, zijn onlangs twee verzamelingen essays verschenen: Mind, Value & Reality en Mind, Knowledge & Reality.

Ook McDowell is een echte taalfilosoof, bovendien één die net als Putnam de traditie kent en zich niet beperkt tot een deelgebied. Hij heeft invloedrijke essays geschreven over ethiek, antieke wijsbegeerte, filosofie van de geest, metafysica en kenleer. Bij een groter publiek werd hij bekend door zijn boek Mind and World (1994), waarin hij aan de hand van Kant aannemelijk probeert te maken dat ons wereldbeeld een resultaat is van het samenspel tussen onze begrippen en objecten in de werkelijkheid. Wanneer we een ding waarnemen, zijn niet alleen onze zintuigen maar ook onze begrippen daarbij betrokken; waarneming is, net zoals Putnam meent, geen passieve gebeurtenis maar een actieve handeling van ons denken. Hoe wij de werkelijkheid waarnemen is dus tegelijkertijd afhankelijk van ons begrippenkader èn van de werkelijkheid zelf. De vraag is dan waar we onze begrippenkaders vandaan hebben. McDowell doet hier een beroep op het Duitse begrip Bildung. Door onze opvoeding ontstijgen we onze biologische oorsprong. We kijken naar de werkelijkheid door de bril van de begrippen die onze moedertaal ons aanreikt, maar de objecten waar die begrippen naar verwijzen, moeten wel bestáán. Conceptualisme en realisme hoeven elkaar niet uit te sluiten.

Rode draad

Als rode draad door McDowells gebundelde artikelen loopt zijn afwijzing van de reductionistische houding die veel hedendaagse wetenschappers kenmerkt. Met Wittgenstein deelt McDowell de opvatting dat filosofen niet moeten proberen een wetenschappelijke, reductieve verklaring te verzinnen voor geestelijke verschijnselen en ons taalgebruik. Volgens hem kan dat niet. Als we woorden gebruiken en denken volgen we bepaalde regels. Die kunnen we desgewenst veranderen, maar we kunnen ze niet reduceren tot feiten over hersenprocessen of menselijke instincten. De `sciëntisten' die dat wèl geloven, zien niet in dat de regels van ons taalgebruik niet buiten dat taalspel kunnen worden gerechtvaardigd, zoals een stukje hout alleen mat staat als we het beschouwen als de koning in een schaakspel.

Nu zou men McDowell kunnen verwijten dat hij de natuurwetenschappelijke getinte filosofie zo te makkelijk terzijde schuift. Filosofen worden niet zozeer sciëntist door een blind vertrouwen in de wetenschap, maar door het besef dat er een verschil bestaat tussen onze kennis van de werkelijkheid en de werkelijkheid zelf. Daarom moeten we proberen duidelijk te maken wat we verstaan onder `de werkelijkheid op zichzelf'. Is zo'n begrip mogelijk of is de werkelijkheid altijd `onze' werkelijkheid? Dit is de vraag die een andere analytische filosoof, Barry Stroud, in The Quest for Reality probeert te beantwoorden door na te gaan wat de plaats van kleuren in ons wereldbeeld is.

Opnieuw sinds Descartes meende men dat kleuren niet `echt' bestaan, maar alleen in de menselijke geest. De ware werkelijkheid is kleurloos. De vraag wordt dan wat die ware werkelijkheid precies is. Stroud betoogt dat filosofen die kleuren als subjectieve verschijnselen zien, deze vraag negeren. Ze gaan er simpelweg van uit dat de ware werkelijkheid samenvalt met de verzameling feiten die de natuurwetenschap beschrijft. Dat spreekt echter helemaal niet vanzelf. Een sciëntist kan, bijvoorbeeld, niet verklaren hoe het mogelijk zou zijn dat we woorden voor kleuren begrijpen, als de werkelijkheid eigenlijk kleurloos is.

Dit brengt Stroud, net als Putnam en McDowell, tot de conclusie dat we de werkelijkheid niet kunnen beschrijven vanuit een Archimedisch standpunt. Er bestaat inderdaad een werkelijkheid met objecten die wij kunnen identificeren door hun eigenschappen te herkennen. Om dat te kunnen doen moeten die objecten natuurlijk die eigenschappen ook echt hébben, terwijl wij aan de andere kant begrippen en dus woorden voor die objecten en eigenschappen moeten hebben. Dit post-cartesiaanse resultaat van het werk van Putnam, McDowell en Stroud laat zien hoe de taalfilosofie inzicht verovert in hardnekkige, traditionele problemen over de verhouding tussen lichaam, geest en werkelijkheid. Hun oplossing ligt in de taal.

Hilary Putnam: The Threefold Cord. Mind, body, and world. Columbia University Press, 234 blz. ƒ71,40

John McDowell: Mind, Value & Reality. Harvard University Press, 400 blz. ƒ93,55

John McDowell: Meaning, Knowledge & Reality. Harvard University Press, 462 blz. ƒ100,-

Barry Stroud: The Quest for Reality. Subjectivism and the Metaphysics of Colour. Oxford University Press, 228 blz. ƒ81,55