Clinton laat belangrijke erfenissen na

Volgende week zal het dan gebeuren. De twee kandidaten voor het Witte Huis zullen elkaar op de mat ontmoeten. `Op de mat' wil in dit geval zeggen: in een debat voor de tv-camera's dat qua regulering aan topsport doet denken. Dopingcontrole heeft niet plaats, maar de voorbereiding van de debaters op de confrontatie was al maandenlang even intensief als die van de atleten op de Olympische Spelen. Hier wordt niet in honderdsten van seconden gemeten, maar de onbeduidendste verspreking, de lichtste aarzeling, de geringste omissie kan dodelijk zijn. Na afloop zal de `wedstrijd' worden geanalyseerd als ging het om een wereldbeker. De kandidaten en hun staven zullen de video-opnamen van het debat vele malen afdraaien om de zwakke momenten op te sporen en om zich nog beter te wapenen voor de volgende twee ontmoetingen.

De posities zijn al ingenomen. Volgens de peilingen en de commentaren die daaraan worden verbonden, gaat het ditmaal meer dan anders om de zwevende kiezer. Het partijgebonden electoraat zou zijn keuze al hebben bepaald. Slechts een ernstige misstap van een der kandidaten zou daarin nog verandering kunnen brengen. Vice-president Gore moet daarom de zwevende kiezers die vier jaar geleden Clinton de voorkeur gaven voor zich zien te behouden. Gouverneur Bush moet trachten deze mensen over te halen om dit keer op hem te stemmen.

Daar komt nog iets anders bij. De president wordt gekozen door het college van kiesmannen. In de deelstaten geldt het `winner take all': de kandidaat die in een staat als eerste eindigt, bepaalt de samenstelling van de afvaardiging van die staat naar het college. Van de meeste staten staat min of meer vast wie er als eerste zal eindigen. Op grond van de aantallen kiesmannen van deze staten is de krachtsverhouding redelijk te berekenen. Maar er zijn ook zogenoemde `swingstates', staten waar de uitslag nog een vraagteken is. Op die staten en op de problemen die daar spelen concentreren zich dan ook de campagnes.

Dat neemt niet weg dat de tv-debatten op `national tv' een nationale gebeurtenis zijn. Er zal dan ook spanning ontstaan tussen de eigenlijke campagne, die zich op zogenoemde focusgroepen richt, en de debatten, die een breed publiek moeten zien te winnen zonder de focusgroepen af te stoten. Bovendien zal ieder der debaters thema's trachten aan te snijden waarin hij de meeste punten denkt te kunnen scoren. De debatleiding heeft mogelijkheden om in te grijpen en al te grote ontsporingen te voorkomen.

Voor het Amerikaanse publiek zijn zaken van belang die ook in andere postindustriële samenlevingen op de voorgrond staan: zorg, onderwijs, veiligheid, vergrijzing, de kosten daarvan, en, plotseling weer actueel geworden, de prijs van brandstof. Meer specifiek zijn kwesties als abortus, euthanasie, homoseksualiteit, `gun control', grofheid en smakeloosheid op televisie en, onverwachts in betekenis toenemend, de legitimiteit van de doodstraf. Vooral over ethische vraagstukken zijn Amerikanen diep verdeeld.

Wat in de campagne ontbreekt, maar in de tv-debatten zeker aan de orde zal komen, is de plaats van Amerika in de wereld, ook wel de buitenlandse politiek genoemd. Juist hier doen zich vreemde tegenstrijdigheden voor. Bush is aan de campagne begonnen als een onbeschreven blad op dit gebied. Vervolgens heeft hij zich voorzien van de steun van gerenommeerde adviseurs van Bush sr. toen die, van 1988-1992, president was. Een van deze adviseurs, voormalig minister van Defensie Cheney, is zelfs benoemd tot `running mate', tot kandidaat voor het vice-presidentschap.

Aan de andere kant kunnen de Democraten nu bogen op acht jaar internationale en diplomatieke ervaring. Toen zij in 1992 aantraden, hadden zij slechts de beschikking over de gedemoraliseerde staf van president Carter (1976-1980). Carter had zich door Moskou laten verrassen in Afghanistan en sloot zijn enige termijn af met het debacle van de bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran en een mislukte poging de gegijzelde diplomaten daar te ontzetten. Bovendien was Clinton in 1992, evenals Bush nu, een provinciale politicus zonder enige nationale of internationale ervaring. Gore daarentegen heeft als vice-president de kans gekregen zich op het internationale niveau te profileren. Er is bijkans geen thema waarover hij niet een goed beargumenteerde opinie heeft.

Tegenover elkaar staan Democraten, die vaak het verwijt krijgen geen lijn in hun buitenlandse politiek te kunnen brengen, en Republikeinen die, ondanks de verzamelde expertise, de indruk wekken hun buitenlandse politiek nog te moeten uitvinden. De vraag is of het verwijt geldig en de indruk juist is.

Wie kijkt naar de wereld zoals Clinton die achterlaat, zal dat verwijt moeten laten vallen. Hoewel de nu vertrekkende president begon met een nonchalant `It's the economy, stupid' heeft hij de afgelopen acht jaar bewezen aandacht te hebben voor de instituties die de economie richting geven. De totstandkoming van Nafta, de handelsverruiming op het Amerikaanse continent, in het begin en de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie aan het eind van zijn regeerperiode vormen Clintons belangrijkste erfenissen.

Er waren ook de tegenvallers: de Azië-crisis en de roebelcrisis, beide onvoorzien en met de verkeerde middelen bestreden. Dat had te maken met de verwevenheid van de Amerikaanse regering met de regeringen die in moeilijkheden geraakten. Niet de economische integratie, maar juist de politieke verbondenheid verhinderde dat tijdig werd gewaarschuwd en ingegrepen en dat de bakens werden verzet voor de implosie zich doorzette. Het Gore-kamp zegt nu: wij hadden de Russische leiders niet gekozen.

Een nieuwe Amerikaanse regering staan dus enkele aanknopingspunten ter beschikking. Met China kan een nieuw begin worden gemaakt, evenals met het ruim een halve eeuw geïsoleerde en stagnerende Noord-Korea. Clinton bezoekt in november als eerste Amerikaanse president Vietnam. Voorzichtige openingen zijn er met Iran en India. Europa ontwikkelt een eigen identiteit binnen de Atlantische gemeenschap. De nieuwe Russische leiding is overzichtelijker dan de vorige, maar of dat winst is moet worden afgewacht. Als Bush de nieuwe president mocht worden, zal hij dankzij het werk van Clinton minder moeite hebben een eigen beleid te ontwikkelen. In de campagne kan hij dat niet erkennen. Eenmaal in het Witte Huis, zal het hem duidelijk worden.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.