Bibliotheek heeft knieval gemaakt voor de massa

Computerverdwazing, cultuurrelativisme en het streven naar een zo groot mogelijk publieksbereik, hebben een rampzalige uitwerking gehad op de openbare bibliotheek. De stilte – bemind door de Muzen – is verloren gegaan. Bibliotheken verzuimen zo een van hun belangrijkste taken: de culturele verheffing van mensen uit een ongeletterd milieu, meent L.G.J. ter Haar.

In de discussie over het functioneren van de openbare bibliotheek die is ontstaan naar aanleiding van het artikel van de verontruste bibliothecaris Tom Gitsels (NRC Handelsblad, 2 september) wordt te weinig ingegaan op de kern van het probleem. De veranderingen die de laatste 25 jaar in de bibliotheken hebben plaatsgevonden zijn het gevolg van twee ontwikkelingen: ten eerste de computerisering/digitalisering en ten tweede popularisering; het streven naar verbreding van het publiek.

De eerstgenoemde ontwikkeling is vrij recent en op zichzelf neutraal van aard. Het is niets anders dan een voortschrijden van de techniek, zoals men dat op alle fronten kan waarnemen. Wat men vroeger opzocht in een kaartenbak, kan nu van een beeldscherm worden afgelezen en het internet kan worden geraadpleegd. Dit kan op zich heel nuttig zijn, maar vooral onervaren gebruikers kan het zeeën van tijd kosten en laten verdrinken in een overvloed aan – lang niet altijd relevante en betrouwbare – informatie. Denk aan een scholier die voor een werkstuk over Napoleon geen encyclopedie, maar internet raadpleegt. Het geeft te denken dat deze vernieuwingen met zo'n kritiekloze houding worden omhelsd. Dit ziet men ook in het onderwijs, waar de computer zo ongeveer als de beste leraar lijkt te worden beschouwd.

Veel ingrijpender is de tweede ontwikkeling, waarbij de bibliotheek zich is gaan richten op verbreding van de `doelgroep'. Minder eufemistisch geformuleerd: een knieval maakte voor de massa, die de bibliotheek vroeger trachtte te verheffen. Deze ontwikkeling is sterk beïnvloed door een wijdverbreid cultuurrelativisme, waarbij geen onderscheid meer mag worden gemaakt tussen `hogere' en `lagere' cultuuruitingen. Dit doel wordt nagestreefd met modieuze managementmethoden, waarin begrippen als `rendement', `marktwerking' en `public relations' een belangrijke rol spelen.

Het ging tevens gepaard met het concentreren van de `bewaarfunctie' van de bibliotheken bij enkele regionale of landelijke centra. Gevolg hiervan was dat in de meeste openbare bibliotheken eerder aangeschafte boeken – al helemaal als ze oud en stoffig leken, maar ook waar het nog recente exemplaren betrof – `afgeschreven' werden en voor één of twee gulden werden verkocht, om plaats te maken voor de nieuwste bestsellers, de auteurs die gisteren op de televisie waren, video-banden, top 40 cd's en hobbyboeken. Dit was een probaat middel tegen elke `geur van boeken', dat bovendien een forse verhoging van de lidmaatschapsprijs rechtvaardigde. De term `oud bezit' werd een archaïsme en bibliotheekgebruikers die zo'n gedoemd boek nog eens willen raadplegen, zijn genoodzaakt het aan te vragen bij een `bewaarcentrum', wat een forse wachttijd, een extra gang naar de bibliotheek en extra kosten betekent.

Daarnaast riep men kinderen uit tot speciale doelgroep. Doordat tal van ouders er een gewoonte van maken hun vaak nog zeer jonge kinderen bij hun bezoek aan de bibliotheek mee te nemen, en ze daar luidruchtig te laten rondrennen, waant men zich daar nu vaak eerder in een crèche dan in een bibliotheek. De stilte – bemind door de Muzen – is verloren gegaan. Aandachtig lezen, laat staan studeren, kun je er dus wel vergeten.

Het gevolg van dit alles is dat de openbare bibliotheken een van hun belangrijkste maatschappelijke taken zijn gaan verzuimen: het bieden van de mogelijkheid tot kennismaking met de cultuur aan diegenen die hiermee op andere wijze niet of nauwelijks in aanraking hebben kunnen komen. In plaats daarvan bieden bibliotheken aan wat men in het commerciële circuit reeds in overvloed vindt. De gevolgen hiervan zijn ernstig, met name voor jonge mensen in de middelbare schoolleeftijd, die hun weg nog niet gevonden hebben, maar niet minder voor de samenleving in haar geheel, die voor de overdracht van haar culturele bagage uiteindelijk van deze jonge mensen afhankelijk is.

Uit mijn eigen jeugd in de jaren zeventig herinner ik me hoezeer de plaatselijke openbare bibliotheek er toe heeft bijbedragen dat ik, ondanks mijn afkomst uit een niet-geletterd milieu, een literaire – en dankzij de in de bibliotheek aanwezige platencollectie trouwens ook een muzikale – belangstelling heb kunnen ontwikkelen, waardoor ik me in mijn latere leven nooit meer heb hoeven vervelen.

Om mijn indrukken over de veranderingen in de bibliotheken nog eens te toetsen aan de werkelijkheid, ben ik teruggegaan naar de bibliotheek waaraan ik zulke goede herinneringen bewaar en heb ik geprobeerd daar een tweetal boeken terug te vinden die toen op mij een diepe indruk hebben gemaakt: de verzamelde werken van Arthur Rimbaud en een meerdelige, fraai uitgevoerde, geschiedenis van, en bloemlezing uit, de Franse literatuur, die ik ontdekte terwijl ik ronddwaalde tussen de gevarieerde collectie, waardoor men toen nog werd omringd. Mijn vrees werd bewaarheid: wat betreft Rimbaud moest ik me tevreden stellen met een tweetalige bloemlezing uit zijn vroegste werken; de enige Franse literatuurgeschiedenis die ik heb gevonden, was een Nederlandstalige pocket die gebroederlijk in één rij stond opgesteld met een Kuifje-album.

De mogelijke tegenwerping dat jonge mensen nu uitsluitend belangstelling hebben voor commerciële populaire cultuur, is een generalisatie en een vorm van leeftijddiscriminatie van jongeren, die Elsbeth Etty in een recente column in deze krant terecht aan de kaak heeft gesteld. Dat men op het pad naar de Helicon niet de massa aantreft, is niet verwonderlijk. Serieuze culturele belangstelling heeft zich altijd beperkt tot een `happy few'. Om inzicht te krijgen in de officiële doelstellingen van deze, mij eens dierbare, bibliotheek, heb ik de moeite genomen mij te verdiepen in haar `Beleidsplan voor de jaren 1999-2002'. Zoals de titel al deed vermoeden, bleek dit een deprimerende nota vol managersproza te zijn, waarin ik het woord `literatuur' niet eenmaal heb aangetroffen.

Dat de bibliotheken hun educatieve taak zo sterk verwaarlozen, is des te dramatischer omdat ook het onderwijs het laat afweten waar het ons culturele en literaire erfgoed betreft. Ook hier hebben ontwikkelingen toegeslagen als: computerverdwazing, cultuurrelativisme, afschaffing van de literatuurlijsten, versmalling van het vreemdetalenonderwijs tot uitsluitend praktische toepassing (`camping-Frans'), en de onderbrenging van wat er na een onzalige reeks onderwijsvernieuwingen nog over is van de klassieke talen in de zogenaamde vrije ruimte, samen met vakken als tekenen en handenarbeid.

Het belang van een goede openbare bibliotheek is in vergelijking met het verleden dus alleen maar toegenomen. In dit licht lijkt mij het artikel van de heer Gitsels nog lang niet somber en scherp genoeg. Wij zijn geworden tot slaven van de markt en van de computer en onthouden jonge mensen, die wij in navolging van de commercie collectief voor dom en ongeïnteresseerd verslijten, zowel in het onderwijs als in de bibliotheek de mogelijkheid tot een kennismaking met de cultuur, waarvan wij zo ook de overdracht zelf op het spel zetten. Eeuwen van ontwikkeling en beschaving dreigen door een beleid, waarbinnen het mogelijk is dat een econoom tot staatssecretaris van cultuur wordt benoemd, binnen enkele decennia te worden uitgewist.

Dr. L.G.J. ter Haar is latinist.