Balthus

In zijn bespreking van de biografie van Balthus door N.F. Weber (Gevecht met een namaakgraaf, CS 15 09 00) richt K. Schippers zich – met de auteur – volledig op een vermeende tegenstelling tussen een manie voor schilderen of voor puberende meisjes. Balthus kan men in zijn Italiaanse landschappen kennen als een `pure' schilder, die een prachtige kleur en huid laat ontstaan uit hoe hij verf mengt op het doek. Maar de interieurs met meisjes worden er niet minder schilderkunstig van, doordat hier – om man en paard te noemen – een voyeuristische perversie in doorschemert. Ze zijn omwille daarvan juist schilderkunstig complexer. Een voorbeeld: in het bij de recensie afgebeelde De schilder en zijn model wordt een dubbelruimte gecreëerd: het raam en de schilder in horizontalen en verticalen zijn nauwelijks plastisch en diffuus van kleur, tegenover de schuine lijnen van de kartonnen doos, het gezicht van het meisje en het huishoudtrapje, die helder en tekeningachtig zijn. Deze `dubbele' compositie laadt, net als kleur en huid van de verf, de voorstelling op. De kunst van Balthus zit in zijn spelen met betekenisvolle spanningen (zoals hij ook deed met adellijke titels). Natuurlijk is een schilder die schildert met verf, compositie, etc. bezig en niet met meisjes, maar dat houdt niet in dat hij – om schilder te zijn – verlangens moet verdringen en vergeten. Integendeel, zo'n purisme leidt slechts tot esthetisch fraaie, maar oninteressante werken.

Op dezelfde wijze is kunstkijken meer als óf het `zuivere' schouwen van horizontalen en verticalen, óf het in je verlangens verwijlen. Het moralistisch gevecht voor of tegen de ene of de andere ééndimensionale reactie op kunst is niet interessant.