Aanhang kerken in jaren negentig verder afgekalfd

In de loop van de jaren negentig is de aanhang van de Nederlandse kerken aanzienlijk verder afgekalfd. Inmiddels beschouwt 63 procent van de bevolking zich als buitenkerkelijk. Dit blijkt uit Secularisatie in de jaren negentig, een gisteren gepubliceerde studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Midden jaren negentig leek het nog of de ontkerkelijking, die al meer dan een eeuw gaande was, stagneerde. Maar uit meest recente enquêteresultaten, uit 1999, blijkt dat de trend van de afgelopen twintig jaar toch betrekkelijk constant is: elk jaar neemt het percentage buitenkerkelijken met 0,7 punt toe. Nederland heeft verreweg het hoogste percentage buitenkerkelijken van Europa.

Onder degenen die zich wél rekenen tot een van de drie grote christelijke stromingen - katholieken, hervormden en gereformeerden - neemt het percentage dat regelmatig ter kerke gaat af. Die afname is het meest markant voor katholieken: vorig jaar ging nog maar acht procent van de katholieken wekelijks naar de kerk. Van de gereformeerden gaat iets minder dan de helft wekelijks naar de kerk; rond 1970 was dat nog tachtig procent. Bij hervormden is het kerkbezoek nauwelijks afgenomen - een kwart gaat wekelijks naar de kerk, dat was dertig jaar geleden nauwelijks meer - maar de hervormde kerk heeft in de afgelopen dertig jaar een groter deel van zijn aanhang verloren dan de andere twee.

Van de eerste generatie Surinamers in Nederland kwalificeert 19 procent zich als buitenkerkelijk, van de tweede generatie is dat 42 procent. Bij Antillianen nam het percentage buitenkerkelijken toe van 22 in de eerste generatie tot 59 in de tweede.

Bij Turken en Marokkanen ligt dat anders. Zowel van de eerste als van de tweede generatie rekent circa 95 procent zich tot de islam. Maar als Turkse en Marokkaanse jongeren worden ondervraagd zonder dat hun ouders erbij zijn, rekent 81 respectievelijk 88 procent zich tot de islam.