Succes allerminst verzekerd bij referenda in EU

Referenda zijn in twaalf van de vijftien EU-lidstaten mogelijk, maar worden buiten Denemarken en Ierland zelden gehouden. Voor de organiserende regering is succes allerminst verzekerd.

Als alle politici die zich deze maand hebben uitgesproken voor de invoering van een referendum hun belofte waarmaken, wacht Europa een kleine revolutie. Want tot dusver is Europese politiek zelden onderwerp van directe volksraadpleging.

Aanleiding voor de jongste bekeringsgolf waren uitlatingen van de Duitse eurocommissaris Verheugen begin deze maand. Hij ziet in referenda een mogelijkheid om de betrokkenheid van de bevolking bij politieke kwesties, zoals de op stapel staande uitbreiding van de Europese Unie met landen in Midden- en Oost-Europa, te vergroten. De Nederlandse staatsecretaris Benschop (Europese Zaken) viel hem bij. Verheugens collega-eurocommissaris Bolkestein zag er daarentegen niets in, omdat door een referendum ,,het gevoelige proces van uitbreiding gemakkelijk kan leiden tot een blokkering, zoniet tot een volledige mislukking''.

Grondwettelijk zijn referenda in twaalf van de vijftien EU-lidstaten mogelijk, al lopen de regelingen per land nogal uiteen. Alleen in België, Duitsland en Nederland kan het (nog) niet. In landen waar het wel kan, wordt het referendum overigens niet vaak gepraktizeerd. Als dat wel gebeurt, is succes beslist niet verzekerd. Zo liep afgelopen zondag in Frankrijk amper dertig procent van de kiezers warm voor het referendum over verkorting van de presidentiële ambtstermijn.

Denemarken en Ierland zijn de enige twee EU-landen waar met zekere regelmaat referanda worden gehouden. In Denemarken kunnen burgers geen referendum aanvragen. Het parlement kan er wel toe besluiten. Bovendien regelt de grondwet dat in een aantal gevallen een referendum moet worden gehouden, bij voorbeeld wanneer het parlement (een deel van de) Deense soevereiniteit uit handen geeft, maar de meerderheid waarmee dat geschiedt kleiner is dan 5/6de deel (83 procent). Bij de euro stemden 137 van de 175 Deense parlementariërs vóór. Dit was `slechts' 78 procent en dus was een (correctief) referendum vereist. Die correctie wordt overigens pas doorgevoerd als de meerderheid die tegen de wet stemt (dus `nee' zegt tegen de euro) ten minste 30 procent van alle kiesgerechtigden omvat.

Gaat het referendum over een Europese politieke zaak, dan leidt het ook steevast tot nervositeit in het buitenland. Zo zal de uitslag van het Deense referendum van vandaag repercussies hebben voor de stemming in Zweden en Groot-Brittannië, waar de regeringen ook volksraadplegingen over invoering van de euro in het vooruitzicht hebben gesteld.

De uitbreiding van de Europese Unie is in de bestaande lidstaten een zaak van de nationale parlementen. Uitzondering is Frankrijk, waar de bevolking zich in 1973 uitsprak vóór toetreding van Groot-Brittannië tot de EEG (de voorloper van de EU). Bij latere uitbreidingen werden de Fransen niet meer rechtstreeks geraadpleegd. Wel werd in 1992 het Verdrag van Maastricht (inclusief de Economische en Monetaire Unie, EMU) aan een direct oordeel van de Fransen onderworpen. Die peiling liep voor `Maastricht' nog net goed af (50,95 om 49,05 procent). De Deense bevolking verwierp toen het verdrag.

Kandidaat-lidstaten als Denemarken, Finland, Oostenrijk en Zweden gingen in het verleden wel direct bij hun bevolking te rade over toetreding tot `Europa'. En van de huidige kandidaten hebben onder andere Hongarije, Polen en de Tsjechische Republiek inmiddels tot volksraadplegingen besloten. Vermoedelijk zullen deze plaatsvinden als hun onderhandelingen met `Brussel' zijn afgerond en een akkoord is bereikt over de eventuele datum van toetreding.

Zowel de nationale regeringen als de Europese Unie lopen daarbij natuurlijk politieke risico's. Dat blijkt uit het geval-Noorwegen. Tot twee keer toe (begin jaren '70 en halverwege de jaren '90) waren Oslo en Brussel klaar voor Noorse toetreding tot de EU. Beide keren beschikten de Noren per referendum anders.