Schandalen verlammen Franse politiek

Het is hommeles in de Franse `samenwoning' van president Chirac en premier Jospin. De bevolking wendt zich hoofdschuddend af van hun `schandalige' politiek.

Met een historisch lage opkomst van amper 30 procent voor het afgelopen zondag in Frankrijk gehouden referendum over de verkorting van de presidentiële ambtstermijn van zeven naar vijf jaar, hebben de kiezers één ding duidelijk gemaakt: dat er een diepe kloof gaapt tussen hen en de politiek. Het massale wegblijven en het hoge aantal blanco en ongeldige stemmen (5 procent) kan van alles betekenen – de voorgestelde hervorming is niet van belang, zij gaat niet ver genoeg, het referendum is niet het juiste middel om de hervorming tot stand te brengen maar het komt er hoe dan ook op neer, dat de politiek geen enkel inzicht heeft in wat de kiezer werkelijk van belang acht.

De uitslag van het referendum is niet het enige dat sinds zondag het gezag van zowel president Jacques Chirac als van premier Lionel Jospin ernstig aantast. De ,,constructieve'' samenwerking tussen de twee door de kiezer tot ,,samenleving'' veroordeelde politieke rivalen is in een diepe crisis ontaard ten gevolge van onthullingen over betrokkenheid van de president bij grootscheepse smeergeldpraktijken ten behoeve van de partijkas van zijn gaullistische partij RPR in de jaren tachtig. Het prompte verweer van Chirac dat er sprake was van ,,manipulatie'' kreeg enige grond, toen zondag bleek dat Dominique Strauss-Kahn, partijgenoot en voormalig minister van Financiën van Jospin, de videoband met beschuldigingen aan het adres van de president, al anderhalf jaar in bezit had.

`DSK', vorig jaar door Jospin gedwongen tot aftreden als minister omdat tegen hem twee onderzoeken wegens fraude werden ingesteld, heeft de band mogelijk gekregen in ruil voor een soepele afhandeling van de in de miljoenen lopende belastingschuld van couturier Karl Lagerfeld. Mogelijk is bovendien dat hij de band achter de hand hield om Chirac en de RPR op elk gewenst moment te beschadigen. Hoe dit ook zij, het achterhouden van bewijzen van onwettig handelen door een overheidsfunctionaris is strafbaar. Om die reden is tegen Strauss-Kahn inmiddels een, derde, strafrechtelijk onderzoek ingesteld.

Er kunnen nog veel meer lijken uit de kast vallen, maar wat nu bekend is, geeft al voldoende aanleiding voor een grimmig, door veel kranten als ,,oorlog'' betiteld conflict aan de top van de Republiek. Chirac ziet zijn kans schoon om met de ,,affaire binnen de affaire'' de aandacht af te leiden van de beschuldigingen aan zijn adres en `links' in diskrediet te brengen, Jospin doet al zijn best om duidelijk te maken dat hem en zijn regering het gedrag van Strauss-Kahn ooit een vedette, nu een paria – niet aangewreven kan worden. Daarbij is het luid en duidelijk verkondigd beleid van de in 1997 aangetreden premier om affaires systematisch en zonder aanziens des persoons aan de onderzoeksrechter over te laten. De socialistische eerste minister, rechtlijnig protestant van huis uit, beloofde bij zijn aantreden een eind te maken te maken aan corruptie, die kennelijk ongeneeslijke ziekte, die tot dan toe – en niet het minst ten tijde van het presidentschap van partijgenoot François Mitterrand het klimaat in Frankrijk bepaald had. De Fransen waren het beu, en hij ook: de ethiek moest terug in de politiek.

Maar tegen wil en dank wordt ook Jospin sinds deze week meegesleurd in een schandaal, waarvan de dimensies – laat staan de gevolgen – nog nauwelijks te overzien zijn. De ruim drie voorspoedige jaren die hij nu regeert lijken in een paar dagen tenietgedaan te worden, nadat het verval eerder deze maand al was ingezet door het vertrek van de gezichtsbepalende minister Jean-Pierre Chevènement, die Jospin te toegeeflijk vond tegenover het naar autonomie strevende Corsica. Daarna volgden de brandstofblokkades, een crisis die de premier naar het oordeel van de meeste Fransen niet in goede banen heeft geleid, ondanks nieuwe belastingverlichtingen die hij op de reeds toegezegde stapelde.

Dit alles, maar vooral het beeld van een strijdende premier en president en van hoge heren van staatshoofd tot couturier die elkaar de bal toespelen, schaadt niet alleen de verhouding tussen de Fransen en hun leiders. Ook het gezag van Frankrijk als voorzitter van de Europese Unie lijdt eronder. Het is pijnlijk, dat gesprekken over precaire onderwerpen als uitbreiding van de EU en democratisering van de Europese instellingen, geleid worden door een land, waarvan de eigen democratie zich in een crisis bevindt. Want dat laatste is het geval, nu zelfs Valéry Turcey, de voorzitter van de vakbond van rechters, er deze week geen been inzag de ,,politiek verantwoordelijken'' van het land op te roepen hun zonden eerlijk op te biechten. Weliswaar, zo stelde hij, laat de rechterlijke macht zich ,,voortaan'' niet meer weerhouden van onderzoek naar door politici gepleegde misdrijven, maar het achterhalen van de ,,juridische waarheid'' kan, bij voorbeeld door de presidentiële immuniteit voor rechtsvervolging, jaren in beslag nemen. Jaren waarin het land in de greep blijft van ontwrichtende schandalen.

Turcey's hartenkreet is even aandoenlijk als alarmerend. Aandoenlijk, omdat zelfs als president Chirac zoals hij, volgens dagblad Le Monde, schijnt te overwegen in het openbaar het boetekleed zou aantrekken en de Fransen hem inderdaad zouden vergeven, het onafhankelijke openbaar ministerie het einde van zijn ambtstermijn kan afwachten en alsnog kan besluiten hem te vervolgen. Overigens is 70 procent van de Fransen van mening, dat Chirac door de onderzoekrechter gehoord zou moeten worden. Alarmerend is Turcey's oproep, omdat de uit het spoor lopende uitvoerende macht voor de ontrafeling van de eigen schandalen zo'n zwaar beroep doet op de rechterlijke macht, dat deze op haar beurt dreigt te bezwijken en soelaas zoekt in emotionele oproepen.

De ironie wil, dat de kiezer de crisis loepzuiver heeft gesignaleerd nog voor die in volle omvang losbarstte. Door massaal weg te blijven bij het referendum, lieten de kiezers blijken geen geloof te hechten aan de ,,transparantere democratie'' die president Chirac hen met een verkorte presidentiële ambtstermijn in het vooruitzicht stelde. Een ruime meerderheid van de ter stembus getogen minderheid zei er ,,ja'' tegen, maar het overgrote deel van de thuisgebleven meerderheid zei ,,tamelijk of zeer'' ontevreden te zijn over het functioneren van de democratie in Frankrijk. Zij wachten op heel wat ingrijpender hervormingen dan de in hun ogen slechts cosmetische bekorting van de presidentiële ambtstermijn.