Overheid moet bijzonder onderwijs controleren op identiteit

De verzuiling van het onderwijs is achterhaald. Ze kan zich echter handhaven omdat een debat hierover onmogelijk is. Dat moet veranderen, meent A. Wevers.

Henk Strietman, directeur van de Besturenraad in het christelijk onderwijs, probeert op de Opiniepagina van 21 september duidelijk te maken dat er in Nederland veel bijzondere scholen zijn die hun verantwoordelijkheid voor de opvang van allochtone leerlingen niet ontlopen. Uiteraard is het mooi van die bijzondere scholen, maar hij gaat wel voorbij aan de essentie van het probleem. Immers, in Nederland kennen we sinds de schoolstrijd van 1916 een verzuild onderwijssysteem dat eufemistisch ook wel eens de `vrijheid van onderwijs' genoemd wordt.

Strietman zegt eigenlijk: volgens de grondwet hebben wij recht op bijzonder onderwijs en laat het nu maar verder aan het bijzonder onderwijs over te bepalen welk gedeelte van dit bijzonder onderwijs zich profileert als `besloten' en welk gedeelte als `open'. Als je er goed over nadenkt is dit de arrogantie en betutteling ten top. Zo van: `Wij weten wel wat goed voor u is en wij bepalen dat zelf wel.'

Daar zit nu ook precies de kern van de zaak. Het gaat hier om de macht. Natuurlijk begrijpt Strietman ook wel dat het maatschappelijk gezien bijna niet meer te verantwoorden is dat er nog bijzonder onderwijs bestaat, maar als je dan maar zegt dat je als bijzonder onderwijs je verantwoordelijkheden niet wilt ontlopen, dan ben je weer gered. Want, zo blijkt, het bijzonder onderwijs bepaalt zelf wat `gesloten' en wat `open' is en, dat is ook het wezenlijke van het bijzonder onderwijs, de macht om te beslissen blijft bij de bestuurders van bijzondere schoolbesturen liggen en wij, gewone mensen, moeten maar afwachten hoe de bestuurders beslissen.

Volgens sommigen zit in de grondwet een fundamentele fout; anderen menen dat het de juiste oplossing was om toen (1916) een eind te maken aan een felle strijd die het land dreigde te verdelen. Deze `vrijheid van onderwijs' heeft zeker bijgedragen aan de emancipatie van grote groepen in de Nederlandse samenleving. Maar de eerlijkheid gebiedt om nu toch vast te stellen dat die emancipatie is voltooid en dat die groepen, op wat duidelijk geprofileerde groeperingen na, bijna niet meer te herkennen zijn in de Nederlandse samenleving. Je zou kunnen zeggen dat het de hoogste tijd wordt die grondwet aan te passen. Dat blijkt wel uit de reacties wanneer een `nieuwe' groep in de samenleving (bijvoorbeeld moslims) van diezelfde rechten gebruik wil maken als waar indertijd katholieken en protestanten voor hebben gestreden. Nu zegt men dat het achterhaald is en dat de samenleving een pluriforme is, waar we moeten leren met elkaar om te gaan.

Het lijkt dus logisch de grondwet aan te passen, maar geen enkele partij durft (of wil) dat in het partijprogramma op te nemen. In Nederland is alles bespreekbaar van euthanasie tot abortus. We zijn zelfs het eerste land ter wereld waar een homohuwelijk mogelijk is, maar praten over een grondwetsartikel dat verouderd is en waarin we afwijken van nagenoeg de rest van de wereld, durft kennelijk niemand. Het lijkt wel of er nog drie `besmette' politieke items zijn. Het koningshuis, de hypotheekrente en de verzuiling in het onderwijs. Over de eerste twee wordt, zij het voorzichtig, nog gepraat. Over het laatste durft niemand iets te zeggen, zo gevoelig ligt het.

Ondertussen wordt geprobeerd het onderwijs op allerlei `slinkse' manieren zo te organiseren dat men om de verzuiling heen kan. Dat betekent veel geld en energie stoppen in allerlei strategische routes, waarbij de hoeders van het bijzonder onderwijs op hun beurt weer alles uit de kast halen om hun positie te verdedigen, juist op basis van de grondwet. Strietmans betoog is van dat laatste een prachtig voorbeeld.

Als we vaststellen dat we de grondwet niet willen of kunnen veranderen, is het verstandig de kwestie met open vizier aan de andere kant aan te pakken, namelijk bij de controle op naleving van de wet. Op dit moment is aan bijna half onderwijskundig Nederland een zeer principiële vergunning verleend op basis waarvan met volledige vergoeding uit de staatskas bijzonder onderwijs wordt gegeven. Men slaagt erin vrijwel alles in onderwijsland te controleren. Of het nu gaat om lesuitval, onderwijsrendement, aansluitingspolitiek, het onderwijskundig klimaat, vaardigheden, er is altijd wel een instantie of een visitatiecommissie die dat nauwkeurig schijnt te kunnen beoordelen. Alles wordt beoordeeld, behalve dat ene wezenlijke, de basis waarop de scholen indertijd zijn gesticht. Zolang de grondwet niet is gewijzigd en in Nederland bijzonder onderwijs mogelijk wordt gemaakt op kosten van de staatskas, is het niet meer dan gerechtvaardigd om op scholen niet alleen te controleren of er degelijk onderwijs dan wel goed onderwijs volgens de voorschriften wordt gegeven, maar ook of dat gebeurt volgens de grondslag waarop de school indertijd die `licentie' heeft gekregen. Want per saldo is dat de enige bestaansgrond voor het bijzondere karakter van die school. Uiteraard zijn er nog veel meer redenen waarom een school op die plek staat, maar het feit dat het nu juist een bijzondere moet zijn is enkel en alleen gelegen in de grondslag.

Als wordt vastgesteld dat die school niet meer voldoet aan die grondslag kan de school twee dingen doen. Of de school zorgt dat er conform de uitgangspunten gewerkt wordt, (en ik ben ervan overtuigd dat dan heel wat scholen kleiner zullen worden), of men overlegt met de klanten (ouders) over een nieuwe grondslag die dan gekozen wordt en volgens welke er dan ook gewerkt dient te worden.

Het lijkt volstrekt niet lastig criteria te vinden waarop bijzondere scholen beoordeeld kunnen worden. Net zo min overigens als voor openbare scholen. Als je staat voor je zaak, zorg je dat al je personeel een overtuigd voorstander is van de gekozen grondslag en dat ze ook iedere dag die overtuiging waarmaken. Dan zorg je ervoor dat iedere dag voor alle leerlingen merkbaar is waarom ze een katholieke, protestantse, christelijke of openbare school zitten. Het zou dan ook niet zo mogen zijn dat ouders overwegen hun kind in te schrijven in een gerieflijk in de wijk gelegen school, maar aarzelen omdat het bijzondere school is. Waarop de directeur dan toegeeft dat het onderwijs inderdaad op christelijke grondslag is gebaseerd, maar dat je er haast niets van merkt. Je moet staan voor je zaak. Uiteraard kunnen ouders dan zelf bewust kiezen voor een bepaalde vorm van onderwijs, maar dat mag nooit gebeuren met in het achterhoofd dat je er niets van merkt.

Als dit zo doorgaat, zullen ook de komende generaties nog zitten met een verzuild onderwijsland, waarin de bestuurlijke macht, berustend op allang achterhaalde motieven, in handen van een club beroepsbestuurders ligt die alles in het werk zullen stellen om die macht te behouden. Dit alles zorgt ervoor dat de toch al bescheiden middelen die het Nederlands onderwijs heeft op een versnipperde manier worden ingezet en dat een bepaald deel van dat onderwijs kan zeggen: `Dit hoeven wij niet te doen.' Of: `Dit hoeven wij niet allemaal te doen.'

Ik ben geen principiële tegenstander van de huidige grondwet, maar wel van de wijze zoals er nu mee wordt omgegaan. Of je controleert de uitvoering van de wet, of je past hem aan.

A. Wevers is rector van een openbare middelbare school in Goes.

voor hun zaak