Het nieuwe voertuig voor andere zingeving

Boeddhisme is in Nederland geen exotisch verschijnsel meer. Mediteren is voor steeds meer mensen de oplossing om tot rust te komen. Twee weken geleden opende koningin Beatrix onder grote belangstelling de boeddhistische He Hwa-tempel op de Amsterdamse Zeedijk. `Boeddhisme is een praktische leidraad voor het leven van alledag.'

Het boeddhisme spreekt niet alleen meer hippies aan. De oosterse leer krijgt een westers accent, met oog voor relatieproblemen en werkconflicten.

DE BOEDDHIST IN NEDERLAND maakt geen deel meer uit van het rariteitenkabinet van exotische religies en sekten. Wie bij een boeddhist in de Lage Landen denkt aan een kaalgeschoren monnik in een rood of oranje gewaad dat niet bij een zeeklimaat past, heeft een wezenlijke ontwikkeling gemist. Het afgelopen decennium stond de tweede generatie boeddhisten op, die een brede laag van de bevolking vertegenwoordigt en van alle leeftijden is. Uit gesprekken met de verschillende boeddhistische organisaties in Nederland blijkt dat de meerderheid goed is opgeleid en weinig overeenkomsten vertoont met de eerste generatie boeddhisten. Die bestond, in de jaren '60 en '70, vooral uit hippies die `verlichting' zochten in India.

De Boeddhistische Unie Nederland (BUN) stelt dat het aantal Nederlanders dat actief is binnen een boeddhistische organisatie jaarlijks toeneemt; nog slechts de helft van het totale aantal boeddhisten in Nederland is allochtoon. Bij de BUN zijn nu 29 groeperingen aangesloten, met een achterban van 125.000 mensen. Wanneer ook niet- of anders-georganiseerden worden meegerekend, komt het aantal boeddhisten in Nederland uit op ruim 480.000 mensen, claimde de Boeddhistische Omroep Stichting vorig jaar bij haar (niet gehonoreerde) aanvaag voor zendtijd bij de publieke omroep. Bevestiging is er niet: het Centraal Bureau voor de Statistiek houdt geen cijfers bij over boeddhisten in Nederland.

De grote aantrekkingskracht van het boeddhisme is niet uniek voor Nederland; het volgt hiermee landen zoals Duitsland, Engeland en Frankrijk. Er is zelfs een woord bedacht voor het westerse boeddhisme: `navayana', ofwel `het nieuwe voertuig'. Voor de stijgende populariteit bestaan diverse verklaringen. De secularisatie en ontkerkelijking zijn er twee. Volgens Ria Kloppenborg, hoogleraar godsdienstwetenschappen aan de Rijksuniversiteit Utrecht, ,,lag het boeddhisme voor de hand toen de westerling op zoek ging naar een andere zingeving dan de christelijke''. Volgens haar spreekt het boeddhisme aan omdat het de persoonlijke verantwoordelijkheid van het individu centraal stelt. ,,Anders dan de kerkelijke instituten waarop veel gelovigen kritiek hebben omdat deze met allerlei regels greep op hen trachten te houden, kent het boeddhisme geen dogma's.'' Het boeddhisme benadrukt ook dat iemand de ideeën van de boeddha pas kan accepteren nadat hij er kritisch over heeft nagedacht. Woordvoerders van de twee grootste boeddhistische verenigingen in Nederland, de Stichting Rigpa en het Maitreya-instituut, verklaren de populariteit uit het feit dat het boeddhisme antwoord geeft op alle levensvragen, zonder dat er een God aan te pas komt. De oorspronkelijke religieuze overtuiging hoeft niet te worden verloochend; het boeddhisme botst niet met een katholieke, hervormde of joodse achtergrond. Het gaat ook goed samen met wetenschap, wat de grote belangstelling onder studenten verklaart. ,,Toegepaste spiritualiteit'', noemt bestuursmedewerker Gisela Prager van Rigpa het. Sinds Rigpa's leider, Sogyal Rinpoche, begin jaren '90 Het Tibetaanse boek van Leven en Sterven publiceerde, is het aantal jaarlijkse cursisten en toehoorders verdubbeld tot 2175 mensen. Het boek is volgens uitgever Kosmos/Servire een everseller: veertien oplagen sinds 1992. Volgens Prager ,,omdat het zaken aanroert die iedereen tegenkomt, zoals ziekte, verlies en dood en leert hoe je daar mee kunt omgaan''.

Het aantal boeddhistische verenigingen, de hoeveelheid vertaalde geschriften en cursussen boeddhisme is in Nederland ongekend groot – gemeten naar het aantal inwoners en in vergelijking met andere Europese landen. Maar de overeenkomsten tussen de vele verenigingen overstijgen de verschillen. De kern van de leer is voor allen dezelfde: zij geloven dat het menselijk lijden haar oorsprong vindt in onwetendheid en gehechtheid en streven ernaar deze te overstijgen. Zelfobservatie, die inzicht moet geven in de werkelijke aard van de menselijke geest, speelt een sleutelrol; dagelijkse meditatie wordt binnen het westerse boeddhisme gezien als een belangrijk instrument.

Met de nadruk die westerse boeddhisten leggen op de praktische beoefening verschillen zij wezenlijk van hun Aziatische geloofsgenoten. Aziaten die het boeddhisme vanaf de geboorte meekrijgen, laten het mediteren graag over aan de monniken, zegt hoogleraar Kloppenborg. Zij wenden zich tot tempel of monnik op specifieke momenten. Bij kwesties van leven en dood of bijvoorbeeld bij vragen over opvoeding. De overeenkomst lijkt groot met veel Nederlandse christenen bij wie het geloof geen grote invloed heeft op het dagelijkse bestaan, maar die bij bepaalde gelegenheden vanzelfsprekend terugkeren in de kerk.

Het boeddhisme kent vier hoofdstromingen. Afhankelijk van de stroming waaronder een boeddhistische vereniging valt, verschilt de rol van de leer (dharma) en de thema's die zij het meest benadrukt. Alle stromingen accepteren als hun basisleer een set van enkele honderden teksten (de canon), waarin de ideeën van de boeddha zijn vastgelegd en geïnterpreteerd. Het verschil zit in de accenten: de ene vereniging benadrukt het ontwikkelen van compassie, waar een andere zich op verlichting richt.

Waartoe een persoon zich aangetrokken voelt, is onder meer afhankelijk van diens karakter en cultureel-religieuze achtergrond. Een goede docent, die leerlingen de weg wijst binnen of buiten de eigen beweging, verkort de zoektocht. Simpel gezegd zal een calvinistisch ingesteld persoon zich waarschijnlijk beter thuisvoelen bij een strenge, sobere zenstroming dan bij het kleurrijke Tibetaanse boeddhisme, dat beter aansluit bij katholiek opgevoeden.

Op dit moment speelt de vraag of het boeddhisme westerse elementen moet opnemen. De Dalai Lama, leider van de Tibetaanse boeddhisten, meent dat de vertaalslag van het oosterse boeddhisme naar de westerse maatschappij de komende eeuwen geleidelijk zijn beslag zal krijgen. Een religie die al 2500 jaar geworteld is in Azië kan het westen niet binnen 50 jaar naadloos passen, stelt hij. Sommige stromingen menen echter dat aanpassing van de leer onnodig is. De aard van de menselijke geest is overal hetzelfde, zeggen zij. Andere richtingen trachten een vorm van boeddhisme te ontwikkelen die specifiek aansluit op de beleving van de westerse burger. De stichting Vrienden van de Westerse Boeddhistische Orde (VWBO), een splinterbeweging die ruim dertig jaar bestaat,ontwikkelt haar eigen canon, dat regelmatig wordt herzien door het college van ordeleden. Het laat zich – anders dan de meeste verenigingen – inspireren door alle vier de hoofdstromingen, tot afgrijzen van sommige strengere broeders in de leer.

Volgens VWBO-ordelid Varamitra realiseren steeds meer boeddhistische groeperingen in Nederland zich dat zij de oosterse leer moeten laten aansluiten op westerse patronen. Dat gebeurt deels vanzelf, nu de tweede generatie boeddhisten steeds meer Nederlandse docenten oplevert. Ook de Aziatische docenten (vooral Tibetanen) begrijpen, naarmate zij hier langer wonen, beter hoe de westerling in elkaar steekt. Zij raken geroutineerd in het bieden van boeddhistische oplossingen voor typisch westerse preoccupaties als relatieproblemen en werkconflicten. De VWBO tracht een brug te slaan naar de verre oosterse theorieën door westers cultuurgoed, zoals literatuur, muziek en schilderkunst, te incorporeren in de leer. ,,Ik gebruik bijvoorbeeld veel poëzie van Bert Schierbeek'', zegt Varamitra. ,,Eén gedicht van hem leert de Nederlandse cursist soms meer over de vergankelijkheid van het leven dan een boeddhistische tekst uit de vijfde eeuw voor Christus in het Pali of Sanskriet.''