Gedoogbeleid

Het valt zeer te prijzen dat de voorzitters van de politieke jongerenorganisaties in een gemeenschappelijke verklaring het gedoogbeleid bekritiseren (NRC Handelsblad, 18 september). Terecht wijzen zij er op dat het gedoogbeleid de geloofwaardigheid van het rechtssysteem en het gezag van de politiek ondermijnen. De stelling van Gijs van Oenen (NRC Handelsblad, 20 september) dat het gedoogbeleid appelleert aan het sociaal verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, getuigt van een gebrek aan realiteitsbesef.

Een navrant voorbeeld is het rapport van het Crisis Onderzoeksteam van de Leidse Universiteit over de ramp in Enschede, waaruit blijkt dat jarenlang door het gemeentebestuur ,,gedoogd werd dat Fireworks de regels overtrad''. Talloze malen blijkt dat de overheid zelf de door haar opgestelde regels overtreedt. De constatering in het hoofdredactionele commentaar van 21 september dat het gedoogbeleid getuigt van respect voor de norm, is dan ook uiterst merkwaardig. Er bestaat een spanning tussen norm en werkelijkheid, maar dat ontslaat de overheid niet om in het algemeen naleving van die regels als uitgangspunt te nemen. Met het toestaan dat ze overtreden mogen worden, ontloopt de overheid haar verantwoordelijkheid.

Stellen dat gedogen een `morele meerwaarde' heeft, zoals Van Oenen doet, contrasteert met de werkelijkheid. Wetten kunnen zeker niet alles regelen en er zijn vaak lacunes, maar in Nederland is het gedoogbeleid volstrekt doorgeschoten.