Embryo-onderzoek

REAGEERBUISBEVRUCHTING (IVF) bestaat nu ongeveer twintig jaar en kent een brede sociale acceptatie. De techniek heeft echter een belangrijk los eindje, de overgebleven embryo's. Er worden bij een IVF-behandeling meerdere embryo's gemaakt. De extra exemplaren worden bewaard voor een volgend kind. Als dat niet aan de orde is worden de ingevroren cellen vernietigd. Maar ze kunnen ook worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek.

De interesse van de wetenschap om dit onderzoek te doen stijgt en de mogelijkheden daartoe worden steeds ruimer. Dat kan niet zonder een behoorlijke regelgeving, daar is iedereen het wel over eens. Het gaat hier per slot van rekening om beginnend leven. Over de mate van regulering bestaan echter uiteenlopende opvattingen. Landen als Duitsland en Frankrijk zijn zeer terughoudend, enkele Scandinavische landen kennen minder beperkingen. Het Verenigd Koninkrijk biedt relatief de meeste ruimte.

Ook Nederland worstelt met een Embryowet. In 1993 diende het derde kabinet-Lubbers een wetsvoorstel in, maar dat werd door het daaropvolgende eerste kabinet-Kok in 1995 weer ingetrokken. Nu komen de ministers Borst (Volksgezondheid) en Korthals (Justitie) met een eigen voorstel, waarmee het kabinet heeft ingestemd. De nieuwe wet laat onderzoek toe, maar onder strikte voorwaarden, zoals een beperking van het onderzoeksdoel tot de genezing van ziekten of het welzijn van onvruchtbare paren. Er komt een zware toetsingsprocedure analoog aan die voor medische experimenten.

HET GROTE KNELPUNT is het speciaal tot stand brengen van embryo's voor wetenschappelijk onderzoek. Het kabinet vindt dat te ver gaan en kiest voor een verbod. Of doet het dat eigenlijk niet? De nieuwe wet zegt dat het algehele verbod over drie tot vijf jaar komt te vervallen en wordt vervangen door een beperkte toelatingsregeling. Daarvoor is niets meer nodig dan een besluit van de regering. Dit moet dan wel worden gemeld aan het parlement, dat dan overigens alleen boodschap heeft aan het tijdstip van de opheffing.

Met deze constructie halen de ministers een angel uit de politieke en maatschappelijke discussie. Maar het blijft vreemd iets te verbieden waarvan men nu al besluit het straks toe te staan. Er is een juridisch-technische reden: een komend Verdrag over de rechten van de mens en biogeneeskunde. Dit verdrag verplicht Nederland af te zien van het kweken van embryo's tenzij het bij de inwerkingtreding een voorbehoud maakt. Dat kan alleen op grond van de eigen wetgeving. Dus is het onvermijdelijk het voorgestelde algehele verbod te clausuleren, zeggen Borst en Korthals.

Het is echter ook mogelijk nu al gewoon te kiezen voor de ,,ja, tenzij''-benadering waarop men toch al van plan is over te stappen. Waarom doen de bewindslieden dat niet? Hun voornaamste argument voor een algeheel verbod is dat rest-embryo's primair zijn bedoeld voor de voortplanting en kweek-embryo's per definitie niet. Voor dit onderscheid is echter geen goede reden, betogen de Amsterdamse gezondheidsjuristen Leenen en Gevers in de jongste druk van het handboek Rechten van de mens in de gezondheidszorg.

DE STATUS VAN HET embryo wordt niet bepaald door intenties of omstandigheden. ,,Een per ongeluk verwekt kind heeft geen andere status dan een bewust gewild kind.'' Zo maakt de ontstaanswijze een embryo niet meer of minder beschermenswaardig. Als wetenschappelijk onderzoek op embryo's wordt aanvaard, zijn de argumenten tegen het speciaal vervaardigen van embryo's voor onderzoek uitgesproken ,,zwak''. Een verbod ligt volgens de twee gezondheidsjuristen dan ook niet voor de hand.

Eigenlijk is dat ook de boodschap van Borst en Korthals. De wachtperiode van drie tot vijf jaar heeft weinig te betekenen. De bewindslieden zeggen toch nog even af te willen wachten tot de wetenschappelijke ontwikkeling wat verder is. Dat valt echter ook te realiseren via de toetsingsprocedures waar men na opheffing van het algehele verbod toch op uitkomt. Al was het alleen omdat eiceldonatie, met name de bijbehorende hormoonbehandeling, niet zonder bezwaren is. Maar dat doet aan het principe niet af.

Maatschappelijke gevoeligheden moeten niet onnodig worden geprikkeld. Maar van een regering mag voor alles een heldere inzet van het debat worden verwacht.