`Alles om de muziek vrij te maken'

Béla Fleck speelt bebop, country, rock 'n' roll en zelfs Bach op de banjo. Hij heeft kort geleden zijn zevende album uitgebracht met zijn vast band The Fleckstones. ,,Eigenlijk is de banjo een ultiem Amerikaans instrument.''

Wat Charlie Parker is voor de saxofoon en Miles Davis betekent voor de trompet, dat is Béla Fleck voor de banjo. In minder dan twintig jaar tijd heeft de New-Yorker het tokkelinstrument uit het verdomhoekje van de Hillbillie-muziek weten te halen en van nieuw elan voorzien. Daartoe verliet hij de gebaande paden van de traditionele blue grass en brak hij met de conventionele begeleiding van mondharp, fiddle en binnensmonds geknauwde teksten over het rurale leven. Met zijn vaste band The Flecktones vermengt hij folk met funk, jazz, rock en country. Dit geheel eigen muzikale idioom is weer een stap verder geëvolueerd op Outbound, het zevende album van Béla Fleck & The Flecktones.

Zo voor de hand liggend is het niet dat een geboren en getogen New-Yorker zich ontpopt als een van de beste bespelers van een instrument dat vooral bekend staat als een folk-instrument. Zijn muzikale ouders, die hem vernoemden naar de Hongaarse componist Bartók, zullen er zeker iets mee te maken hebben gehad. Maar Fleck zelf houdt het op regelrechte betovering. ,,Ik was een jaar of veertien toen ik voor het eerst een banjo hoorde, de legendarische Earl Scruggs. En het raakte me vol in mijn hart. Het geluid is tegelijkertijd diep en helder, funky en glad. Het is het geluid van kwik en aarde en metaal en hout en huid. Ik wist meteen dat ik nooit een ander instrument wilde bespelen.''

Niet gehinderd door enige kennis van de traditie, wierp de jonge banjospeler zich op iedere muzieksoort die hem voor de voeten kwam: bebop, rock 'n' roll, country, zelfs Bach en Chopin. Pas later ontdekte hij de historische wortels van zijn instrument en besloot hij er het zijne mee te doen. Als lid van New Grass Revival fuseerde hij blue grass en jazz tot zogenaamde `blu-bop' en oogstte succes bij een breed publiek variërend van fundamentele Christenen uit de biblebelt tot langharige hippies met een `back to nature'-tik. ,,Dat mengen van stijlen was voor veel mensen toen heel revolutionair'', vertelt Fleck. ,,Maar ze vergaten dat de banjo eigenlijk een jazz-instrument was voordat het dat blanke, zuidelijke blue grass-stempel kreeg opgedrukt. En in de late negentiende eeuw was de banjo zo'n beetje wat de gitaar nu is. Daarvoor was het het instrument van de slaven en die hadden het op hun beurt weer meegebracht uit Afrika. Eigenlijk is de banjo een ultiem Amerikaans instrument; het verenigt verschillende culturen in zich. Het vermengen van speelstijlen is dus minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt.''

Minstens zo belangrijk als de vernieuwing van het repertoire vindt de banjopionier het ontwikkelen van een modern geluid. Hij perfectioneerde zijn tokkelsnelheid en speelt regelmatig akkoorden, iets wat ongebruikelijk is voor dit melodie-instrument bij uitstek. Fleck: ,,En als de muziek het kan gebruiken dan gebruik pedalen voor distortion of delay of plug ik mijn instrument in op een gitaarsynthesizer. Alles om de muziek zo vrij mogelijk te maken.''

In de tien jaar dat The Flecktones nu bestaan heeft de bandleider een groep muzikanten om zich heen verzameld die even onconventioneel en compromisloos bezig zijn met hun muziek als hijzelf. De uit het jaar 2050 afkomstige en als ruimtepiraat uitgedoste Future Man bespeelt met zijn vingertoppen een zelfgebouwd percussie-instrument genaamd Drumitar dat een kruising is tussen een drumcomputer, een gitaar en een synthesizer. En rietblazer Jeff Coffin speelt zelden met minder dan twee saxofoons tussen zijn lippen. Bassist Victor Wooten is eigenlijk de meest normale van het hele stel maar compenseert dat weer met een speelwijze die bijna onmenselijke snel is en de kracht heeft van een kwartet sloophamers.

Bandleider Fleck stelde vanaf het begin strikte muzikale regels op. ,,We namen alleen op wat we live ook konden waarmaken; het moest puur en eerlijk zijn'', stelt hij op officiële toon. Om daarna toe te geven dat streberigheid ook een rol speelde. ,,Niemand wilde geloven dat wij al die instrumenten van de plaat tegelijkertijd konden bespelen, dus dat moesten wij als muzikale acrobaten even bewijzen. Dat hebben we volgehouden tot het vijfde album en toen pas hebben we overdubs geïntroduceerd. Maar we hebben onszelf toen meteen een nieuwe regel opgelegd: alle extra partijen moesten door onszelf worden ingespeeld.''

Inmiddels hebben de Flecktones niet zoveel meer te bewijzen. Voor Outbound zetten ze de deur zelfs wagenwijd open voor gast-muzikanten. Fleck: ,,De nummers zijn nog steeds van ons en de basis is het kwartet. Maar we hebben er later allerlei partijen aan toe gevoegd voor extra smaak. We bleven maar doorbouwen aan die nummers: een klassieke fagot erbij, een keelzanger uit Tuva, Indiase tabla's, een volledig strijkkwartet, een Hammond B-3 en ga zo maar door. Op een gegeven moment belde Jon Anderson van Yes en vroeg of hij een stukje mocht zingen. Toen ik ja zei, dook hij meteen een studio in Californië in en stuurde me twee dagen later een tape. Hij heeft nu een cameo-rol in een van de nummers.''

De gastoptredens op Outbound hebben de stilistische grenzen van de groep nog verder opgerekt dan ze al waren. In `A moment so close' bijvoorbeeld worden Indiase raga en funk samengebracht in het formaat van een popsong met een ongebruikelijke 27/8 maat. Het melancholische `Lover's Leap' zweemt naar Kurt Weill, klezmer en tango. En in `Shuba Yatra' laveert Fleck op zijn als sitar geprepareerde banjo tussen een huppelend Zuid-Afrikaanse kwela en een pastorale Ierse jig. Fleck: ,,Als mensen mij vragen wat het nou precies is wat wij spelen, dan weet ik het ook niet. Wereldmuziek misschien? Ach, we zijn whatever...''

Béla Fleck & The Flecktones: Outbound (Columbia, 498921 2) Distr. Sony.