Vroege Rembrandt ter veiling aangeboden

Veilinghuis Christie's verwacht 15 tot 20 miljoen gulden voor een vroeg schilderij van Rembrandt dat in december in Londen wordt geveild. Nederlandse musea zullen niet meebieden.

Een ovaal paneel van Rembrandt zal als topstuk de Rothschild-veiling aanvoeren die op 13 en 14 december bij Christie's in Londen wordt gehouden. Het gaat om een nogal donker portret (73,7 bij 55,8 cm) van een 62-jarige, onbekende vrouw, wier gezicht, witte kraag en gesteven kapje tegen de diepbruine achtergrond oplichten. Vooral de gelaatsuitdrukking – alsof de vrouw nieuwsgierig de observeringen van de schilder observeert –, maar ook de textuur van haar mantel en kapje moeten borg staan voor een opbrengst tussen de vijftien en twintig miljoen gulden.

Het werk dateert uit 1632. Rembrandt was kort daarvoor vanuit Leiden naar Amsterdam verhuisd. Twee jaar later trouwde hij met Saskia, de nicht van de Amsterdamse kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh. Datzelfde jaar vestigde hij zijn reputatie als portretschilder met De Anatomische Les van dr. Tulp. Veel tijdgenoten zouden voor hem poseren, onder wie Johannes Uyttenbogaert, wiens portret het Rijksmuseum in 1994 voor 17 miljoen gulden verwierf.

Het te veilen paneel is enigszins te vergelijken met dat van de Rotterdamse bierbrouwersvrouw Haesje Cleyburgh uit 1636, dat het Rijksmuseum in 1985 bij zijn honderdjarig bestaan ontving, een geschenk ter waarde van tien miljoen gulden. Vorig jaar kocht het Haagse Mauritshuis voor 32 miljoen gulden nog het portret van een oude man, het laatste portret van Rembrandts hand, dat met een veel lossere toets dieper raakt aan het karakter en temperament van zijn flamboyante model.

,,Hoe vreemd het ook mag klinken'', aldus Frits Duparc, directeur van het Mauritshuis, ,,de portretten van de belangrijkste Nederlandse 17de-eeuwse schilder zijn in onze musea slecht vertegenwoordigd. Dit ovale paneel ken ik alleen als reproductie, want het is zelden tentoongesteld. Maar mocht het mooi, interessant en in zeer goede staat zijn, dan nog betwijfel ik of een Nederlands museum – de vraagprijs buiten beschouwing gelaten – erop zou willen bieden. De jonge Rembrandt schilderde tientallen van dergelijke portretten. Naarmate hij ouder werd, werd hij alleen maar beter. Natuurlijk is het bijzonder, zeer bijzonder dat dit stuk op de veiling komt, maar met Haesje in het Rijksmuseum is die vroege fase goed vertegenwoordigd.''

Ook J.P. Filedt Kok, directeur collecties van het Rijksmuseum, zag het werk nooit met eigen ogen. En net als Duparc acht hij het portret geen essentiële toevoeging aan de Rembrandt-collectie in Nederland. ,,Maar wie weet denk ik daar anders over als ik het in werkelijkheid zie.''

De Rembrandt komt uit de 19de-eeuwse verzameling van baron Alphonse de Rothschild, die later gedeeltelijk is overgegaan naar diens kleindochter baronesse Batsheva de Rothschild (1914-1999). Bij het uitbreken van de oorlog vluchtte zij samen met haar ouders vanuit Frankrijk naar New York, waar ze zich vooral opwierp als mecenas van de danswereld. Tijdens de oorlog viel de collectie in handen van de nazi's. Via de geallieerden kwam het merendeel later weer in het bezit van de Franse Rothschilds, die uit dank het Louvre begunstigden met onder meer Vermeers doek De Astronoom. Baron Guy erfde weliswaar de verzameling, maar diens zuster Batsheva kreeg ook een deel, dat nu in etappes in Londen onder de hamer komt.

Behalve voor de Rembrandt, verwacht het veilinghuis in december miljoenen voor twee doeken van Antoine Watteau (1684-1721) en twee schilderijen van Jean-Honoré Fragonard (1732-1806). De opbrengst van een 13de-eeuwse, geëmailleerde moskee-lamp wordt geschat op anderhalf tot drie miljoen gulden. Voor datzelfde bedrag staat een 16de-eeuws paneel van Ambrosius Benson genoteerd, een `Vrouw met kat' dat niet eerder in het openbaar te zien is geweest.

Vanaf 1964 leefde Batsheva met haar verzameling in Tel Aviv. Ze richtte daar een dansschool en -gezelschap op. Christie's veilde in Israel eerder 20ste-eeuwse stukken uit haar bezit. Vorig jaar zomer brachten 250 schilderijen, meubelen en manuscripten van de Oostenrijkse Rothschild-tak, bij Christie's 188 miljoen gulden op, honderd miljoen meer dan de schatting. Het ging toen om stukken die de Oostenrijkse staat zich na de oorlog had toegeëigend en die in 1999 dankzij `de verlichte houding van de huidige (Oostenrijkse) regering', aldus Christie's, weer toevielen aan de rechtmatige eigenaren, de Rothschilds.