Politieke strijd van Blair raakt Europa direct

In de Angelsaksische wereld speelt zich een fascinerend gevecht af tussen progressieven en conservatieven. Ook al gaat dit schuil achter verkiezingscampagne-retoriek en de bijbehorende fixatie op het politieke midden, er is wel degelijk sprake van een botsing van waarden en politieke oriëntaties, vinden René Cuperus en Alvaro Pinto Scholtbach.

In de Verenigde Staten markeert de verkiezingsstrijd tussen de Democraat Gore en de Republikein Bush oude, vertrouwde tegenstellingen tussen staat en private wereld en tussen een open, kosmopolitisch internationalisme en een nationaal-protectionistische houding.

Voor Gore is de overheid een bondgenoot in de strijd voor economische zekerheid en tegen machtsmisbruik door private belangen. Voor Bush gelden `big government & big government spending' juist als belemmeringen voor een efficiënte en vrije samenleving. Niet voor niets staan Bush' plannen voor een gigantische belastingverlaging lijnrecht tegenover Gore's voorstel voor vermindering van de staatsschuld. Dit laatste staat voor een moderne progressieve opvatting van overheidsverantwoordelijkheid.

Ook in Groot-Brittannië, grote uitzondering in een Europa van coalitiestelsels, `cohabitation' en poldermodellen, woedt dit gevecht. Als we het recentelijk door de conservatieve leider William Hague gepresenteerde manifest Believing in Britain moeten geloven, staat Engeland de volgende `common sense revolution' te wachten: onderwijs, gezondheidszorg en pensioenen moeten worden geprivatiseerd, belastingen en overheidsuitgaven moeten fors omlaag, alle asielzoekers moeten in detentie gedurende de procedure; de overheid moet zich vooral actief bezighouden met keiharde criminaliteitsbestrijding en voor de rest de markt zijn werk laten doen. Blairs `revolutie' is er vooral een geweest van beleidsinnovaties in de bestaande verzorgingsarrangementen, onder de zware slagschaduw van het saneren van de overheidsuitgaven en de gezondmaking van de economie. Van historische betekenis is verder de totstandkoming van de volksvertegenwoordigingen in Schotland en Wales en de democratisering van het Hogerhuis.

`New Labour' kwam in 1997 in de regering na een ongekende electorale triomf. Er was een zeer gematigd programma voor de korte termijn en een ambitieus veranderingsproject – New Britain – voor de lange termijn. Het politieke midden, was volstrekt uitgekeken op de Conservatieven, maar wenste tegelijkertijd geen radicale breuk met het verleden. Geen belastingverhogingen, geen uitbreiding van de publieke sector, geen inkomensherverdeling. New Labour zat in het keurslijf van het Thatcher-tijdperk. Tegelijkertijd had men te maken met enorme verwachtingen onder het progressieve electoraat na 18 jaar Tory-bewind.

Deze politieke spagaat uit 1997 speelt een grote rol bij de huidige impopulariteitscrisis van Blair en zijn regering. Want de crisis gaat niet alleen om een optelsom van ongelukkige incidenten – van uitgelekte kabinetsmemo's , de Millennium Dome tot de dieselcrisis – ze verraadt ook een dieperliggend onbehagen met de prestaties van New Labour, in het bijzonder op sociaal terrein. Moesten de vorige verkiezingen gewonnen worden in een conservatief politiek klimaat, in de huidige situatie van een gezonde economie is sprake van een gekantelde tijdgeest.

De mogelijke herverkiezing van New Labour staat opeens in de nieuwe context van grotere maatschappelijke wensen voor overheidsinvesteringen en de kwaliteit van de publieke sector. De kwesties zijn nu verhoging van het staatsbasispensioen, het minimumloon, de verbetering van zorg en onderwijs. De urgentie hiervan behoeft overigens nauwelijks betoog, daar waar Engeland nog altijd on-Europese taferelen vertoont van exhibitionistische zelfverrijking van jonge twintigers in de Londense City, temidden van restanten van het land van Dickens. New Labour dient niet langer de vorige oorlog uit te vechten, maar zich voor te bereiden op de nieuwe.

Dat was ook precies de boodschap van Tony Blair in zijn speech gisteren op het Labour Partijcongres in Brighton: ,,Ik luister. Ik hoor. Ik zal handelen'. Anders dan in zijn vorige congrestoespraken (die in Engeland overigens de facto regeerakkoorden zijn), toen Labours verzoening met het kapitalisme en een vriendelijke omhelzing van het bedrijfsleven de boodschap waren, stond in Brighton het lange-termijnproject centraal. Blair bepleitte financieel-economische soliditeit, de ontwikkeling van een vitale en krachtige publieke sector en de ontplooiing van een actief internationalistisch georiënteerd land.

Dit congres, zeer vermoedelijk het laatste voor de komende algemene verkiezingen, beoogde een streep te zetten onder de crisisperiode en het beeld van een arrogante, niet-luisterende regering weg te nemen. Blairs herverkiezingsspeech stond geheel in het teken van een meer radicale tweede termijn voor Labour. Nu de fundamentals op orde zijn, nu aangetoond is dat het management van de economie ook bij Labour in goede handen is, zal de onderinvestering van de publieke sector worden aangepakt. Het besef is definitief doorgebroken dat om herkozen te worden andere strategieën en houdingen nodig zijn dan in 1997.

Wat stellen de Conservatieven daar tegenover? De urgente investeringen in de verschraalde publieke en sociale infrastructuur zouden onder een nieuwe conservatieve regering niet doorgaan. In plaats daarvan komen forse belastingverlagingen.

Ook voor Europa zou dat repercussies hebben. De Tories zijn nog steeds fundamenteel verdeeld over het thema Europa en wat belangrijker is: de EU-vijandige vleugel domineert. Er wordt zelfs serieus gedacht over toetreding van Groot-Brittannië tot de Noord-Amerikaanse vrijhandelsclub NAFTA, wat botweg een vertrek uit de EU met zich mee zou brengen.

De herverkiezing van Labour raakt dus niet alleen Groot-Brittannië. Het gaat Europa aan en het gaat de Europese sociaal-democratie aan. De Britten hebben onder New Labour het Europese integratieproces verfrissend beïnvloed. Door niet alleen de Europese blokkade van Thatcher en Major op te heffen, maar ook door de haperende Frans-Duitse motor tijdig van nieuwe energie te voorzien. De regering-Blair is minder bureaucratisch en institutioneel gericht en legt meer nadruk op uitwisseling van nationale ervaringen en praktische resultaten van Europese samenwerking. Neem het onverwachte Europese defensie-initatief vanuit Londen. En `benchmarking', `peerreviews' en `best practices' zijn methoden die niet meer weg te denken zijn uit het integratiejargon. Het Verenigd Koninkrijk kan ook niet ontbreken bij de beantwoording van de echte vraagstukken van Europese samenwerking, de ordening van de Unie, de uitbreiding, de economische sturing en de machtsbalans tussen grote en kleine landen.

Het Europees belang schuilt ook in het feit dat voor het eerst, al is het bij de euro op eieren lopen, de geest van de Britse samenleving weer rijp gemaakt wordt voor Europa. En dit tegen een eurofobe pers in. Voor de Europese sociaal-democratie komt daar nog bij, dat New Labour in een sceptisch Brits klimaat een intelligente verdediging van de publieke sector toepast, die op het `continent' – met een positiever beeld van de overheid – inspirerend werkt. Of het nu gaat om Labours fixatie op `deliverance' (het in zo concreet mogelijke termen burgers waar voor hun belastinggeld leveren), of om de filosofie van de Derde Weg, New Labour geldt als een originele trendsetter.

Het gaat ook in Groot-Brittannië om de politieke vertaling van een nieuwe maatschappelijke consensus. In een periode waarin sprake is van een relatief gunstige economische conjunctuur en de maatschappelijke roep om het herstel van de kwaliteit van de collectieve sector luider wordt, blijkt de nieuwe koers van centrum-links ten opzichte van markt, ondernemerschap en publieke sector, met behoud van de notie van een beschermende overheid die de pijnlijkste gevolgen van maatschappelijke turbulentie en globalisering dempt, beter aan te sluiten bij het heersende klimaat. Als de Derde Weg-achtige varianten van centrum-links deze boodschap ontvangen en ernaar handelen, kan centrum-links de woordvoerder van sociale innovatie en geleide modernisering zijn. De conservatieven zullen dan kompasloos in de hoek van cultuurpessimisme, nationalisme of ordinaire belangenbescherming achterblijven en de tegenaanval van `compassionate conservatism' zal dan mislukken.

De uitkomsten van het gevecht tussen progressieven en conservatieven in de VS en het Verenigd Koninkrijk zijn bepalend voor het politiek klimaat in de rest van de wereld.

René Cuperus en Alvaro Pinto Scholtbach zijn respectievelijk medewerker Wiardi Beckman Stichting en Internationaal Secretaris van de PvdA.