Internationaal

Onze buurt wordt overspoeld door buitenlanders. Twee keer per dag om precies te zijn: 's ochtends om half negen rijdt een parade van mercedessen en terreinwagens de buurt binnen om kinderen uit te laden, 's middags om drie uur zorgt dezelfde stoet voor getoeter en forse verkeersopstoppingen om de kinderen weer in te laden. Sinds de school waar ik het over heb een nieuwe dependance heeft geopend twee straten verderop, is het breng- en haalverkeer nog verder geïntensiveerd.

Compleet met parkeerovertredingen gedragen ze zich precies hetzelfde als al die andere ouders die hun kinderen brengen naar de vele scholen die de buurt telt. Ik heb geen reden om me te ergeren en toch erger ik me. Niet aan de donkerblauwe uniformpjes die vergeefs de rijkdom proberen te maskeren die afstraalt van de jasjes, de lakschoentjes en de glimmend nieuwe rugzakjes. Wat me stoort is het fremdkörperachtige. Ze komen van heinde en ver aangezet in een soort capsule (ze rijden ook graag in van die space wagons met getint glas), droppen hun kroost in de schoolcocon en brengen het aan het eind van de schooldag weer onbezoedeld terug.

Niemand spreekt Nederlands. Engels is de voertaal op deze school die door Engelse kinderen wordt bezocht. Er komen ook Amerikanen, Japanners, allerlei nationaliteiten. Gewoon een internationale school, niets bijzonders, die heb je overal. Toch bespeur ik vijandigheid bij mezelf tegen deze dagelijkse invasie. Onze buurt, onze straat, de mensen die er wonen vormen voor de dagelijkse bezoekers niet meer dan een decor voor hun uitgestippelde levensloop. Ze wonen toevallig in Amsterdam, maar in Kampala had hun leven er niet anders uitgezien.

De kern van mijn ongenoegen is natuurlijk dat mijn buurt, mijn stad, mijn cultuur door die buitenlanders niet waardig genoeg bevonden worden om aan deel te nemen. Misschien denken de inwoners van Kampala dat ook wel, als ze de kinderen van expats en ontwikkelingswerkers in bussen voorbij zien rijden naar hun exclusieve diplomatenschooltjes. De belediging is des te erger, omdat het een basisschool betreft. Waarom zouden buitenlanders die door een multinational voor een paar jaar in Nederland gestationeerd zijn hun kinderen niet naar het Nederlandse basisonderwijs sturen? Kinderen onder de twaalf leren via de onderdompelingsmethode binnen drie maanden moeiteloos een nieuwe taal. Voor het gezin als geheel is een kind op een Nederlandse school de eenvoudigste manier om kennis te nemen van een andere cultuur. Zelfs als zo'n episode maar een paar jaar duurt, dan is het nog een waardevolle ervaring.

Voor mensen die kort in Nederland wonen zal het wel te veel moeite zijn, al dat geïntegreer, maar de school wordt ook bezocht door kinderen van buitenlanders die hier min of meer permanent verblijven. Deze kinderen beginnen op de internationale crèche en halen hun internationale middelbareschooldiploma zonder ooit in aanraking te zijn geweest met zo'n lastige en onbelangrijke taal als het Nederlands. Ouders nemen deze beslissing omdat ze iets hogers in het verschiet zien voor hun kinderen dan een Nederlandse universiteit, maar ook – vermoed ik – omdat ze niet willen dat hun kind een Nederlander wordt, die – je moet er niet aan denken – ineens met een Nederlandse partner aan komt zetten.

Het is een keuze voor kosmopolitisme en voor de toekomst. Het heden telt niet mee. Ik heb het vaak genoeg gehoord van mensen (buitenlanders en Nederlanders) die hun kinderen naar internationale scholen sturen: ze kunnen later gaan studeren aan beroemde universiteiten in het buitenland, je geeft ze een enorme voorsprong mee in de beheersing van het Engels, de hele wereld ligt aan hun voeten. Maar later herinneren ze zich geen enkel tv-programma of kinderboek uit het land van hun jeugd, geen lokale kwesties waar het land van op z'n kop stond, geen merkwaardige gewoontes van de bevolking. Hun jeugd was vacuüm verpakt in een irrelevante omgeving die geen sporen in de ziel heeft achtergelaten. Op termijn zielig voor hen, maar in het heden krenkend voor ons.