G'day, mate

Al twee weken kan ik in Sydney niet aantonen wie ik ben. De klassieke fout gemaakt, portefeuille en paspoort te opzichtig in de binnenkant van de jas, die ook nog eens uitnodigend om een stoel hing. Alleen de kaart om mijn nek van het organisatiecomité Socog voorkwam dat ik mijn identiteit helemaal kwijtraakte. Maar dat gevoel heeft mijn Russische tafeltennisvriendin Irina dus wel nu haar toernooi al een week is afgelopen.

Niets is zo frustrerend voor een sporter om in het atletendorp dagelijks te worden geconfronteerd met collega's die nog wel in de olympische roes verkeren. Al om zes uur 's ochtends meldt de eerste atleet zich in het toilet en nadat de wc naast haar kamertje nog eens 22 keer is doorgespoeld, weet Irina dat haar nog actieve Russische huisgenoten weer aan het werk gaan. Gelukkig komt de Russische tennisser Yevgeni Kafelnikov bijna elke dag even babbelen met zijn landgenoten in het atletendorp, waar hij uiteraard niet verblijft.

De manager van Kafelnikov vroeg aan de Russische tafeltennissters hoeveel zij in de Duitse Bundesliga met hun sport verdienden. Ze durfden het niet te zeggen. Toevallig had Kafelnikov ze net verteld dat de president van Oezbekistan hem persoonlijk had gebeld met het verzoek of hij asjeblieft op zijn toernooi in Tashkent wilde verschijnen. Voor een startpremie van 250.000 dollar per persoon wilde hij dat wel. De Spelen zijn voor de tennissers niet meer dan een leuke bijkomstigheid.

Voor Irina waren ze tot drie keer toe het hoogtepunt in haar carrière, al bleek deelnemen telkens belangrijker dan winnen. Voor het geld heeft ze bovendien de verkeerde sport gekozen. Toch nam Irina gisteravond met weemoed afscheid van haar laatste olympische toernooi. Zoals de Russische traditie het voorschrijft, wierp ze een muntje in de haven. Die had Kafelnikov wel aan haar mogen geven.