Washington raakt zijn bouwheer kwijt

De intellectuelen in de Amerikaanse journalistiek treuren al bij voorbaat om het onvergoedbare verlies dat de publieke zaak te wachten staat door het aanstaande vertrek van Daniel Patrick Moynihan, die zich voor de komende senaatsverkiezingen niet meer verkiesbaar heeft gesteld. De politieke columnist George F. Will noemde hem in de Washington Post een dienaar van de publieke zaak van het soort dat in deze tijd niet meer geboren wordt. Een senator die zijn land en de publieke instellingen waarin hij ruim veertig jaar gewerkt heeft menigmaal boven zichzelf heeft doen uitstijgen. Een politicus wiens vertrek al diegenen die over die instellingen schrijven `verweesd achterlaat', maar vooral berooft van hun intellectuele baken in de Senaat.

Michael Barone, een andere scherpzinnige waarnemer van de Amerikaanse politiek, omschreef Moynihan als ,,de grootste hedendaagse denker onder de Amerikaanse politici sinds Lincoln en de beste politicus onder de Amerikaanse denkers sinds Jefferson''.

De verhuizers die Moynihans werkkamers in de Senaat binnenkort moeten ontruimen zullen zuchten onder het gewicht van diens intellectuele bagage. Die is ongetwijfeld heel wat zwaarder dan de koffers van de meeste senatoren, wier kamers uitpuilen van de ingelijste foto's waarop ze zelf staan afgebeeld met andere groten der aarde. Moynihan heeft de zijne volgestouwd met boeken – niet alleen de talrijke boeken die hijzelf geschreven heeft (waaronder een recentelijk bij Yale University Press verschenen studie over de geheime operaties van de Amerikaanse inlichtingendiensten, getiteld Secrecy), maar ook de omvangrijke vakliteratuur waarin een senator thuis moet zijn. Om nog maar te zwijgen van de vele rijen jaargangen van de belangrijkste Amerikaanse sociologische en politicologische tijdschriften. Die bibliotheek vormt zowel de neerslag van Moynihans politieke specialiteiten als van zijn academische verleden.

Moynihan heeft lang gependeld tussen professoraten, ambassadeursposten en presidentiële adviseurschappen voordat hij vier senaatsverkiezingen geleden aan gene zijde van het Witte Huis op het Capitool neerstreek. Onafgebroken heeft hij daar al die jaren de staat New York vertegenwoordigd. Hillary Clinton, die de `senior' senator van New York (de titel levert geen voorrechten op) in januari hoopt op te volgen, zal er een heel leven voor nodig hebben om Daniel Patrick Moynihan te doen vergeten.

In bijna alle afscheidsstukken die al over hem verschenen zijn, wordt Moynihan getypeerd als de laatste liberaal, wiens politieke standpunten in de eerste plaats door zijn eigen overtuiging werden bepaald. Aan een partijlijn liet hij zich niets gelegen liggen. Politiek opportunisme beschouwde hij als een zwakte van politici die carrière willen maken. In de Verenigde Naties, waar hij onder het presidentschap van Gerald Ford optrad als ambassadeur van de VS, shockeerde hij de beroepsdiplomatie door zijn ondiplomatieke aanvallen op de PLO en haar aanhangers in de Derde Wereld die het naar zijn overtuiging op de ondergang van Israel voorzien hadden.

Moynihan zal onder veel dankbetuigingen worden uitgeluid als een van de meest verdienstelijke en meest productieve senatoren, die de Amerikaanse samenleving vele belangrijke wetten op het gebied van de gezondheidszorg en de sociale verzekering hebben bezorgd.

Ik neem aan dat de minst bekende van al zijn deugden bij zijn afscheid niet over het hoofd zal worden gezien. Dat is zijn hartstocht voor de monumentenzorg van de stad Washington. De Amerikaanse hoofdstad zal Moynihan missen, omdat de niet van nature tot bedeesdheid geneigde senator bij al zijn zichtbare activiteiten in stilte ijverde voor een zaak die voor de stad Washington van het grootste belang was. Die ijver, die hem in de staat New York geen enkele stem opleverde, vloeide voort uit de innige relatie die Washington en Moynihan met elkaar onderhielden. Met dezelfde vasthoudendheid waarmee hij voor grote politieke belangen opkwam, pleitte Moynihan bij de Amerikaanse regering jarenlang met grote toewijding voor de instandhouding van Washingtons staatkundige architectuur. Het ging hem in het bijzonder om het behoud van de integriteit van het monumentale, door de Fransman Pierre L'Enfant ontworpen stratenplan, dat sinds het begin van de Amerikaanse republiek wordt aangeduid als de federale `driehoek', de Federal Triangle, waarvan de reusachtig uitgestrekte Pennsylvania Avenue de bekendste poot vormt. Die driehoek was van oorsprong niet zomaar een stratenplan, maar een staatkundig concept waarmee de Founding Fathers zich een hoofdstad dachten volgens de constitutionele beginselen van de staatkundige machtenscheiding. In de driehoek die George Washington op het equivalent van een bierviltje voor zijn architect had getekend, waren de gebouwen van de drie hoofdmachten in de staat (Congres, Witte Huis en Hooggerechtshof) elk op een hoek op een gepaste afstand van elkaar geprojecteerd. De onderlinge afstand verzekerde dat de president en de leden van het congres de grenzen van ieders domein respecteerden.

Moynihan slaagde met de hulp van de regering erin de macht van de commerciële projectontwikkelaars goeddeels in te dammen en de wildbouw die Washington in de jaren zestig dreigde aan te tasten de kop in te drukken. Zijn biograaf Godfrey Hodgson rekent Moynihan tot de `deskundige leken' op het terrein van de architectuur. In zijn zojuist verschenen biografie The Gentleman from New York (Houghton Mifflin Co) heeft Hodgson een essay van Moynihan uit 1969 opgedoken, waarin Moynihan de stelling verdedigt dat grote publieke gebouwen geen toegift zijn, maar een essentieel element in een democratische samenleving vormen. Het eindigt met een stichtende conclusie. ,,Politici die slechte gebouwen bouwen zijn slechte bestuurders. Een volk dat op zulke bestuurders stemt kiest een onwaardige regering''. Het boek gaat over veel meer, maar in zijn passie voor het Pennsylvania Avenue project doet de senator uit New York zich op z'n sympathiekst kennen.