Vier eeuwen leven van handel

De grote Nederlandse handelshuizen wisten zich in de loop van de tijd steeds goed aan te passen aan veranderende omstandigheden. Geschiedenis van de kooplieden uit de Gouden Eeuw tot het handelshuis van vandaag.

Het handelshuis Hagemeyer heeft, bij gelegenheid van haar honderdjarig bestaan, twee ervaren historici, Joost Jonker en Keetie Sluyterman, beiden verbonden aan het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van Universiteit Utrecht, opdracht gegeven de geschiedenis van een hele bedrijfstak te schrijven. Hierbij mochten zij hun vleugels zeer wijd uitslaan, zowel wat betreft onderwerp als periode. Het eindresultaat is een gedenkboek dat zich helemaal niet als een gedenkboek laat herkennen. Dat niet alleen historici, maar ook externe opdrachtgevers tot deze distantie in staat zijn, is terecht een bewijs dat het goed gaat met de geschiedenis in Nederland.

Door de ruime opdracht konden Jonker en Sluyterman de lijn doortrekken van de voorvaderen van de kooplieden uit de Gouden Eeuw naar hun collega's van vandaag de dag. In Thuis op de wereldmarkt wordt beschreven welke plaats de internationaal opererende handelaren in het economisch leven innamen en hoe hun rol in de loop der eeuwen verschoof. Daarbij staat het bedrijf centraal dat handel drijft op internationale schaal, al dan niet via Nederland en dat met een gevarieerd goederenpakket op diverse markten actief is. De handelshuizen onderhouden de keten tussen producent en consument, doorgaans zonder zelf te produceren of direct aan de consument te verkopen.

De auteurs laten hun verhaal uiteraard aanvangen bij de handelaren die in de zestiende eeuw de basis legden voor de economische en culturele bloei van de Republiek. Tot in de late Middeleeuwen hadden de kooplieden zich vooral beperkt tot goederen met een hoge waarde en een gering volume. Bij de Oostzeehandel ontwikkelden schippers en kooplieden uit Holland en West-Friesland een radicaal ander concept: bulkvervoer naar de Nederlanden en verwerking van grondstoffen en halffabrikaten tot exportproducten door de verwerkende industrie aldaar. Deze succesformule werd op steeds meer markten toegepast, zodat de Republiek rond 1650 het goederenaanbod van alle windstreken beheerste. Erg lang duurde die situatie niet. Nieuwe initiatieven op het gebied van het verzekeringswezen, de beurs en het geldwezen maakten de markten doorzichtiger en bevorderden op korte termijn de economische groei. Maar op wat langere termijn maakte diezelfde openheid het mogelijk de Amsterdamse stapelmarkt links te laten liggen en kwam er een directe goederenstroom op gang van producent naar consument.

Jonker en Sluyterman laten op een heldere manier zien hoe de positie van de handelaar langzaam maar zeker verschoof. Van een koopman die van begin tot eind alle touwtjes in handen had – maar ook volledig het financiële risico droeg – werd deze steeds meer een commissionair. De commissiehandelaar arrangeerde de transactie en verzorgde eventueel nog andere diensten, maar de financiering en het risico van de zending verschoven naar de principalen (dit konden zowel de leveranciers als de afnemers van de goederen zijn). Jonker en Sluyterman laten zien dat de ontwikkeling van eigenhandelaar naar commissionair in feite de enig juiste en zakelijk verantwoorde keuze was. Zij benadrukken dat het aan de commissiehandel te danken was dat de buitenlandse handel van de Republiek tot ver in de achttiende eeuw op een hoog peil bleef. De commissionair hoefde niet te wachten op aankomst of verkoop van zendingen om nieuwe zaken aan te gaan. Zij staken hun kapitaal niet in de goederen zelf, maar in de ermee verbonden diensten als krediet, opslag en verzekering. Met de commissiehandel ontstonden grote handelshuizen met wijdvertakte activiteiten. Twee van hen opereren na driehonderd jaar zelfs nog onder dezelfde naam, Insinger & Co. en Van Eeghen & Co.

De vele oorlogen in de zeventiende en achttiende eeuw werkten minder ontwrichtend op de handel dan wellicht verwacht zou worden. Niet alleen boden oorlogen gerede kansen voor een uitgebreide handel in wapentuig, maar ook zorgden zij voor hogere prijzen. In tijd van oorlog kon met een wisseling van de vlag en met valse papieren nog veel bereikt worden. Vooral de Oost-Friese dwergstaatjes Kniphausen en Papenborg, vlak over de grens met de Republiek, grossierden in dekmantels. Kniphausen had een oppervlakte van slechts twee vierkante kilometer, maar was ten tijde van de Vierde Engelse Zeeoorlog wat betreft de koopvaardijvloot een Europese grootmacht.

Tijdens de Napoleontische oorlogen was het, ondanks alle slinkse trucjes van de kooplieden, niet meer mogelijk de vaart doorgang te laten vinden. Door maatregelen van de Engelsen op zee en van de Franse bezetter langs de kusten kwam de handel overzee in 1812 vrijwel tot staan. Nieuw was ook het feit dat handelaren in deze oorlog meer tijd moesten spenderen aan het bemachtigen van licenties, ontheffingen en vergunningen dan aan het vinden van leveranciers en afnemers. Deze situatie zou zich in volgende oorlogen nog versterkt voordoen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam de papierwinkel voor de handelshuizen fenomenale vormen aan. In de Tweede Wereldoorlog ging ieder contact tussen Nederlandse huizen en hun overzeese kantoren verloren, zodat formulieren hier geen soelaas konden bieden.

Na de Franse Tijd moest Nederland min of meer opnieuw beginnen. Met ijver togen de oude handelshuizen aan de slag om de handel weer te doen herleven, maar dat lukte slechts ten dele. De concurrentie had zich hecht gevestigd en structuurveranderingen in het internationale verkeer deed de behoefte aan het herstel van de stapelmarkt afnemen. Hoewel koning Willem I met gerichte overheidssteun de Nederlandse handel en nijverheid nieuw leven wilde inblazen, werkte dit beleid voor de handelshuizen averechts. De belangrijkste daden van Willem I op het gebied van de internationale handel – de oprichting van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de instelling van het Cultuurstelsel – komen er dan ook met een weinig genadig oordeel van af.

Toen rond 1850 de wereldhandel in toenemende mate werd vrijgemaakt uit de beklemmende banden van nationale protectie en bevoorrechting, beleefden de particuliere handelshuizen een nieuwe bloeitijd. Dit hing samen met de opkomst van het industriële grootbedrijf. Vanaf dit moment deed, naast de handelaar, de industrieel zijn intrede als organisator van het economisch leven. Hoewel het voor de fabrikant mogelijk was – vooral dankzij de betere en snellere verbindingen, de introductie van merkartikelen en de opkomst van de reclame –zijn afnemers rechtstreeks te bereiken, gebeurde dit voorlopig nog niet. De industrialisatie schiep voor de handelshuizen juist een heel nieuw werkterrein: het optreden als agent van de fabrikant, waarbij beide partijen naar een exclusieve relatie streefden.

Na de ontmanteling van het Cultuurstelsel vonden de traditionele handelshuizen een zeer omvangrijk werkterrein in Nederlands-Indië. Daarnaast betraden nieuwkomers, waaronder Hagemeyer, deze snel groeiende markt. Het Nederlandse aandeel in de Indische uitvoer bedroeg in 1913 ongeveer 25 procent. Door het grillige tijdsgewricht van de daaropvolgende jaren (Eerste Wereldoorlog, crisisjaren) liep dit aandeel weliswaar terug en fluctueerde het sterk, maar het belang bleef groot. Hoewel er soms grote verliezen geïncasseerd moesten worden, werd er over het algemeen fors verdiend. Tijdens de jaren van de Eerste Wereldoorlog werd er door de vijftien grote Nederlandse handelshuizen gemiddeld 14 procent dividend uitgekeerd.

De levensvatbaarheid van de handelshuizen, die sterk dreven op de kurk van de handel met Nederlands-Indië werd tijdens de crisisjaren en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië zwaar op de proef gesteld. Na afloop van de oorlog heulden de handelaren niet met de wolven mee die in koor de bekende slogan `Indië verloren, rampspoed geboren' weergalmden. Zij stelden zich eerder dan de politici in Nederland in op een politieke onafhankelijkheid van Indonesië. Ook na de overdracht van de soevereiniteit bleven de meeste handelshuizen in de voormalige kolonie actief. Voor een deel was deze keuze ingegeven door hun heilige geloof in de eigen onmisbaarheid aldaar, maar evenzeer doordat ze elders nog onvoldoende winstgevende activiteiten ontplooid hadden. Zeker tot 1957 deden ze nog goede zaken in Indonesië. In het midden van de jaren vijftig kwam het gerenommeerde handelshuis Borsumij tot de conclusie dat Indonesië nog steeds de belangrijkste winstbron was en in feite de kurk waarop de onderneming dreef.

Nadat de Indonesische regering in 1959 overging tot de nationalisering van de Nederlandse ondernemingen, moesten de handelshuizen hun heil wel elders zoeken. Na mislukte avonturen in Afrika – het geloof dat de dekolonisatie van Afrika nog minstens 25 jaar op zich zou laten wachten werd al na enkele jaren gelogenstraft – richtten de handelshuizen zich in toenemende mate op Europa. In de jaren zestig had men hoge verwachtingen van de meerwaarde die integratie van handel en industrie zou opleveren. De overgebleven handelshuizen namen op grote schaal fabrieken over. Dit werd echter een regelrecht fiasco. Deels hadden de handelshuizen de verkeerde industrieën gekocht en deels was het tijdstip verkeerd gekozen: een economische recessie die zich vanaf 1973 inzette. In de loop van de jaren zeventig en tachtig werden de meeste industriële activiteiten gesloten of verkocht. De handelshuizen gingen zich weer primair met handel bezig houden. De overlevers – ook in deze branche hield het fusievirus flink huis – zetten al hun kaarten op het op Europese schaal brengen van de traditionele lokale groothandel.

De auteurs hebben drie rode draden door hun verhaal geweven. Zo besteden ze consequent aandacht aan de politieke verhoudingen die van invloed waren op de goederenstromen, aan de relatie tussen handel en industrie en aan de veranderingen op communicatiegebied. Vanuit deze drie invalshoeken kan de lezer zich een idee vormen van de enorme veranderingen die zich in de samenleving gedurende de vier voorbij eeuwen hebben voorgedaan.

De recente revolutie in communicatie (e-mail en internet) zou wel eens de doodsteek voor het handelshuis kunnen zijn. Door internet wordt de markt immers steeds transparanter. Maar wie zich als consument op dit terrein begeven heeft, weet dat met de stijgende hoeveelheid informatie het probleem van de selectie opduikt. Bovendien, zo stellen de handelshuizen zich gerust, moeten de goederen uiteindelijk vervoerd, ingeklaard, opgeslagen en afgeleverd worden. En dit zijn al vier eeuwen lang allemaal functies voor de handelaar. Het zijn dit soort doorkijkjes en dwarsverbanden die het lezen van Thuis op de wereldmarkt tot een genoegen maakt.

Joost Jonker en Keetie Sluyterman, Thuis op de wereldmarkt. Nederlandse handelshuizen door de eeuwen heen (Sdu Uitgevers; Den Haag 2000) ISBN 9012089077; prijs 89,90 gulden.