Onderzoek rechter moet aan gijzeling voorafgaan

Gijzeling van een journalist dient zoveel mogelijk te worden vermeden. Voor de rechter is het meestal niet nodig die principiële grens te overschrijden, meent Tom Schalken.

Bij de door de rechter bevolen gijzeling van de journalist Voskuil tijdens het strafproces tegen Mink K. zijn principiële kwesties in het geding. Tot hoever reikt het recht van een journalist om zijn vertrouwelijke bron te beschermen? Mag de rechter een journalist dwingen zijn bron te onthullen of mag de journalist dat weigeren, ook als volgens die bron de politie onrechtmatig zou hebben gehandeld? In de zaak tegen Mink K. zou de politie onder een vals voorwendsel (wateroverlast) een woning zijn binnengetreden om daarmee te camoufleren dat zij daartoe eigenlijk niet bevoegd was. In de woning trof zij wapens aan, waarvoor Mink K. nu wordt vervolgd.

Gijzeling in een strafzaak is alleen mogelijk als een burger weigert aan zijn getuigplicht te voldoen. Maar is een journalist een gewone burger? Neen, zo kan men afleiden uit het Goodwin-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uit 1996. Een journalist hoeft zijn bron niet te openbaren als zijn getuigplicht in strijd komt met zijn plicht om de vertrouwelijkheid van zijn bron te beschermen. Volgens het Hof behoort de bescherming van journalistieke bronnen tot de basisvoorwaarden voor de instandhouding van de persvrijheid, zoals die in art. 10 van het Europese mensenrechtenverdrag (EVRM) wordt beschermd. Enkele maanden na deze Straatsburgse uitspraak erkende ook de Hoge Raad het (wettelijk niet bestaande) verschoningsrecht voor journalisten.

Hoe kan een journalist dan toch wegens het beschermen van zijn bron worden gegijzeld? Er zijn goede redenen om een dergelijke dwangmaatregel uiterst terughoudend toe te passen. Allereerst omdat de journalist door de jurisprudentiële honorering van zijn beroepsgeheim dezelfde sterke positie heeft gekregen, voorzover het de bescherming van zijn bron betreft, als de verschoningsgerechtigden die wel door de wetgever zijn erkend (zoals de arts, de geestelijke, de notaris en de advocaat).

Uitgangspunt van het verschoningsrecht is dat in beginsel alleen degene die zich op dat recht beroept, bepaalt waartoe zijn recht zich uitstrekt. Omdat de gegrondheid van dat beroep alleen kan worden achterhaald door het beroepsgeheim zelf open te breken. Politie en justitie dienen dus als regel het beroep op een verschoningsrecht te respecteren, tenzij – aldus de Hoge Raad in een medische zaak – redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat een beroep op dat recht onjuist is. Dit betekent dat zelfs een rechter niet zomaar het beroepsgeheim van een journalist kan doorbreken. Hij is daartoe alleen bevoegd als zich een evident geval voordoet waarin de journalist zijn verschoningsrecht misbruikt, bijvoorbeeld als hij langs die weg wil maskeren dat hij zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of dat hij een niet bestaande bron opvoert, dan wel wanneer zich een acute situatie voordoet (zoals bij levensgevaar) die alleen kan worden beëindigd door het geheim te openbaren. Een journalist die een ongewenste toestand van publiek belang aan het licht wil brengen en dat alleen kan doen als hij zijn bron geheimhoudt, maakt geen misbruik van zijn bijzondere positie. Hij doet juist datgene waarvoor het verschoningsrecht in het leven is geroepen.

Het journalistieke privilege is dus geen onbeperkt recht. Ook een journalist heeft zijn verantwoordelijkheden, zoals het Europese Hof beklemtoont. Die verantwoordelijkheden gaan echter niet zover dat de journalist zijn persvrijheid op lichte gronden moet opofferen aan andere, ook respectabele belangen. Art. 10 EVRM acht een beperking van de persvrijheid alleen acceptabel als die in een democratische samenleving noodzakelijk is om bepaalde belangen (in dit geval vooral: de bescherming van de rechten van anderen) te beschermen.

Dit betekent dat de rechter die overweegt de journalist tot spreken te dwingen, belangen moet afwegen. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat het gewicht van de af te wegen belangen niet wordt bepaald door de persoonlijke voorkeur van de rechter. Die belangen zijn namelijk niet van gelijke orde. Zowel het Europese Hof als de Hoge Raad heeft de persvrijheid hoog geplaatst in de rangorde van grondrechten. Dit betekent dat een beperking van de persvrijheid slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden is toegestaan. In dat geval moet het belang dat met het doorbreken van het beroepsgeheim is gemoeid, aanzienlijk groter zijn dan het algemene belang dat met de bescherming van de persvrijheid is gediend.

Om welke belangen zou het in de zaak tegen Mink K. kunnen gaan? Het belang van de waarheidsvinding staat hier duidelijk centraal. Voorzover bekend acht het Straatsburgse Hof – blijkens een Finse zaak uit 1997 – de waarheidsvinding in strafzaken al gauw van een zodanig belang dat zij een inbreuk op het verschoningsrecht kan rechtvaardigen. Maar in de zaak tegen Mink K. gaat het er niet om feiten op te sporen of berechting van het tenlastegelegde feit mogelijk te maken, maar om de rechtmatigheid van het politieoptreden aan de kaak te stellen.

Dit doel raakt rechtstreeks het belang van een verdachte op een eerlijk proces, in het bijzonder zijn recht om de totstandkoming van het bewijs aan eisen van rechtmatigheid en betrouwbaarheid te toetsen. Dat is niet alleen een belang dat de verdachte aangaat, het is ook een publiek belang. De integriteit van de strafrechtspleging staat hier op het spel. De politie die het nodige krediet bij de opsporing verdient, past bij doelbewuste misleiding van de rechter geen enkel pardon meer.

Nu zou men kunnen zeggen dat het doel de integriteit van de strafrechtspleging te dienen van een hogere orde is dan het doel de persvrijheid te beschermen. Wanneer een verdachte het risico loopt ten onrechte tot vele jaren gevangenisstraf te worden veroordeeld, kan de integriteit van de strafrechtspleging inderdaad als een zwaarder wegend belang worden aangemerkt. Hoe groot dat risico is, bepaalt de rechter aan de hand van een eigen onderzoek naar de feiten.

In deze zaak blijkt in het vooronderzoek veel aandacht te zijn besteed aan de rechtsgrond voor het politieoptreden. Diverse personen, ook niet-politiemensen, bevestigen het verhaal van de wateroverlast. Als de rechter dat verhaal overtuigend acht, is niet duidelijk waarom hij de journalist gijzelt, ook al is de verdediging geïnteresseerd in de achtergrond van de zaak. Voor gijzeling lijkt alleen plaats als inzicht in de ware geschiedenis van het politieoptreden slechts kan worden verkregen door openbaarmaking van de bron.

Was het in deze zaak wel nodig de persvrijheid aan de kant te zetten? Als de rechter het verhaal van de anonieme bron voldoende acht om aan de rechtmatigheid van het politieoptreden te twijfelen, kan hij de onrechtmatige wapenvondst buiten de bewijsvoering houden. Dat daardoor een verdachte vrijuit gaat terwijl mogelijk voldoende bewijs voorhanden is, is een prijs die de rechtsstaat betaalt om de persvrijheid te respecteren. Bewijsuitsluiting is een maatregel om tot uitdrukking te brengen dat de integriteit van de strafrechtspleging ook langs die weg overeind kan worden gehouden.

Deze zaak toont aan dat de rechter eerst zelf onderzoek moet doen en op basis daarvan zijn keuze moet bepalen. Gijzeling van een journalist dient daarbij zoveel mogelijk te worden vermeden. Voor de rechter is het meestal niet nodig om, zelfs al valt een inbreuk op de persvrijheid op grond van een zwaarder wegend belang te verdedigen, die principiële grens te overschrijden.

Tom Schalken is hoogleraar strafrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam en lid van de onderzoekschool Maatschappelijke Veiligheid.

is geen onbeperkt recht