Na Gümüs: de witte illegaal gewit

Een commissie van burgemeesters van de grote steden bekeek de dossiers van ruim 1.800 zogenoemde `witte illegalen'.

De hongerstaking van vijftien Turkse vrouwen en 31 illegale Marokkanen was al een maand gaande toen vorig jaar de Februaristaking in Amsterdam werd herdacht. Het liet burgemeester Patijn maar niet los en al eerder had hij in het openbaar gezegd dat hij slecht sliep door het beeld dat hem bijbleef van `witte illegalen', liggend op een matje in de kerk. En dat allemaal in `zijn stad', de stad die tot zijn leedwezen kleermaker Gümüs al had verloren.

Het kwam goed uit dat D66-Kamerlid Dittrich de burgemeester bij die gelegenheid herinnerde aan de motie die hij in 1997 had ingediend, waarin hij voor instelling van een burgemeesterscommissie pleitte. Door invoering van de Koppelingswet, een wijziging van de Vreemdelingenwet, per 1 juli 1998 kwamen veel mensen die al enkele jaren met een sofinummer in Nederland werkten maar niet over een verblijfsvergunning beschikten in problemen doordat het recht op onder meer voorzieningen, uitkeringen en vergunningen afhankelijk werd gesteld van de verblijfsstatus. Er werd met uitzetting gedreigd. Om uit die impasse te komen, hadden de burgemeesters van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht voorgesteld de levensomstandigheden van iedereen ,,met de schijn van legaliteit maar die niet de benodigde papieren hebben'' nader te onderzoeken.

Die commissie moest de staatssecretaris van Justitie niet zozeer een `bindend' als wel een `zwaarwegend advies' geven over de vraag welke illegalen – na bestudering van hun dossiers – wel en welke geen verblijfsvergunning moesten krijgen. Politiek kwam het mooi uit met het palet van burgemeesters in de vier grote steden. Patijn in Amsterdam was van de PvdA, Opstelten in Rotterdam van de VVD, Deetman in Den Haag van het CDA en voor het toen burgemeesterloze Utrecht commissaris van de koningin Staal van D66.

De lobby hoefde niet lang te duren. Staatssecretaris Cohen (Justitie) liet begin maart al aan Patijn weten dat zich bij de beoordeling van de dossiers van `witte illegalen' wilde laten adviseren door de burgemeesterscommissie waarvoor was gepleit. Voor Cohen was zo'n commissie ook een uitkomst, want de onwrikbare houding die hij tot dan toe had getoond was weliswaar in overeenstemming met wat de Tweede Kamer in meerderheid wilde, maar `schuurde' tegen zijn politieke geweten. Zou de commissie positief over een verblijfsvergunning in een individueel geval adviseren, dan kon de bewindsman die met plezier en opgeheven hoofd afgeven. In het omgekeerde geval zou hij nog sterker staan dan vroeger: nu had een burgemeesterscommissie er nog eens apart naar gekeken.

De commissie zou informatie gaan leveren over de gezinsomstandigheden en de mate van inburgering van de illegalen. De Tweede Kamer reageerde meteen positief, in zoverre dat de coalitiegenoten PvdA, VVD en D66 bleven benadrukken dat Cohen zelf de beslissingen nam. VVD'er Kamp noemde de instelling van de commissie een `prima gebaar', maar zei dat de regels er niet soepeler door mochten worden. Hij was daarmee `om', want eerder was hij faliekant tegen: ,,Als een burgemeester gegevens heeft die van belang zijn voor de beslissing van Cohen, moet hij contact opnemen met de staatssecretaris'', zo had hij eerder gereageerd. Zijn collega Albayrak (PvdA) achtte de commissie `beter in staat' de aandacht te richten op schrijnende gevallen dan de rigide Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Ook de PvdA dacht er klaarblijkelijk anders over dan ten tijde van Dittrichs motie. Toen meende de PvdA dat de instelling van een burgemeesterscommissie tot willekeur zou leiden. Twee jaar later achtte de fractie zo'n commissie toch beter in staat de `schrijnende gevallen' aan het licht kan brengen, `zonder in de illusie te verkeren dat Cohen nu anders gaat beslissen dan hij tot nu toe heeft gedaan'. Dittrich herhaalde nog eens dat de adviezen van de commissie zwaarwegend maar niet doorslaggevend mochten zijn, terwijl Halsema (GroenLinks) juist vond dat het burgemeestersstandpunt wel bindend moest zijn. Cohen zag in de commissie een mogelijkheid om de handen – in individuele gevallen – iets vrijer dan tot op dat moment te hebben, al was duidelijk dat er geen principiële wijziging van beleid zou komen. Dat beleid houdt in dat iemand zes jaar in ons land moet hebben gewerkt om een verblijfsvergunning te krijgen. Patijn waarschuwde op zijn beurt ook meteen dat de witte illegalen nu niet en masse in een juichstemming moesten geraken: ,,Ik praat niet over een generaal pardon. Ze moeten niet denken dat de vergunningen nu ineens met honderden tegelijk verstrekt gaan worden.''

Toch heeft de commissie-Cohen nu geadviseerd alle 1.877 illegalen wier dossier zij heeft beoordeeld een verblijfsvergunning te geven, zo bleek gisteravond in Amsterdam. Waren er voor de commissie dan geen moeilijke afwegingen te maken? ,,Weet u waar wij mee worstelden?'', zei Patijn, ,,met de hongerstakingen die vorig jaar plaatsvonden. Daar wilden we een einde aan maken.''

Zowel Patijn als Justitie kijkt niet op van de ,,hoge score''. Is de kwestie nu ten einde? De commissie heeft nog twee weken nodig om de laatste tweehonderd dossiers te onderzoeken en heeft de staatssecretaris aangeboden advies te geven in voorkomende gevallen. Maar er is geen `regeling witte illegalen' meer en daarmee geen witte illegalen. Inburgering is voor het ministerie van Justitie geen reden meer om een verblijfsvergunning te verstrekken. Er is alleen wél of géén recht op een verblijfsstatus.