Fiets

Vader is 87. Hij bezoekt trouw zijn bridgeavonden. Hij gaat mee op vakantie en tennist iedere week. Hij overleeft daarbij al zijn sterfelijke partners. Fietsbellend, die stomme toeristen ook, baant hij zich een weg door de smalle straten van de binnenstad. Komt hij op bezoek dan wil hij niet worden gehaald of gebracht, hij rijdt zelf wel. Op zijn fiets. We zwaaien hem uit, hij verdwijnt alweer, in de vallende avond. Dertig meter verderop, tijdens de beklimming van de Keizersbrug, valt hij om. Een junk is op de plek des onheils en grijpt de fiets die bovenop vader is gevallen. Ontzetting! De junk ontfermt zich over vader. Die krabbelt overeind. Nee, hij heeft niks gebroken, voelt geen pijn. En wil niet met de auto naar huis worden gebracht. De junk is doorgelopen. Vader fietst onbekommerd verder.

Zijn tijd is nog niet gekomen.