Water en vuur

Even voelde ik me als de vlinderverzamelaar die zijn gedroomde exemplaar in zijn netje gevangen houdt. Smeltend van extase, kwijlend van genot. Niet zoals Anton Geesink die na de gouden medaille van judoka Mark Huizinga verklaarde dat het licht nu wel uit kon in Sydney. Zeker niet: de Spelen houden niet op bij de derde en gouden worp van Jan Zelezny. Die worp heb ik toch al in het netje van mijn videoband: duizenden deeltjes, streepjes en puntjes die een juweel van tien seconden van bewegende beelden vormen. De buit is binnen: met die flitsende opname zal ik de winter fluitend doorstaan.

Hoezo devoot? Men hoeft zijn realiteitszin toch niet erg diep aan te spreken om vast te stellen dat speerwerpen het mooiste technische onderdeel is in de atletiek. Concurrentie van andere werpnummers is er niet. De plompheid van de stoters, de dolgedraaide karkassen van de slingeraars en de bewegingsspaarzaamheid van de discusuitsmijters kunnen hier niet tegen op. De springnummers? Sinds Fosbury is hoogspringen een flop. Een afwijking van moeder natuur: wie heeft ooit een dier kunnen waarnemen dat een obstakel achteroverspringend neemt? Polsstok is uiteraard een circusnummer. Driesprong hoort bij hinkelende snotneuzen uit groep vijf en de verspringbak wordt bevolkt door technische sloddervossen. Let straks op huppelende strijkplank Marion Jones.

Nee, het zweepgebaar van de speerwerper is niet alleen het schoonste, maar zit bij ons diep in de genen. De steen van de intifada-beoefenaars, de cocktail van Molotov, de tomaat van sektarische socialisten, allemaal gaan ze via de weg die de antieke werper voor ons ooit bereidde. Met de arm gestrekt, ver naar achteren getrokken. De borst vooruit en perpendiculair aan de werprichting. En – wellicht het voornaamste, maar meest verwaarloosde – het tegenovergestelde been gestrekt met een blokkerende hak in de grond geplant zodat het gehele lichaam zich als een boog kan spannen. En wanneer die spanning vanaf de hak van het linkerbeen naar de wijsvinger van de rechterhand golft, dan wordt de luchtreis van al die stenen en tomaten een lust voor het oog. Met een speer spreken we dan van een visuele symfonie.

Het werpen van een speer is esthetisch het hoogst haalbare omdat het de enige discipline is waar water en vuur zo harmonieus worden gemengd. Een dynamische aanloop van dertig meter die op zijn paroxisme abrupt wordt beëindigd om uit te barsten in het explosieve geweld van torso, schouder en arm. De rest, de vlucht van de speer, is poëzie: een komma van metaal als hemelse punctuatie. De alchemie van die elegante aanloop, waar de werper over een pad van broze botten lijkt te zweven, met de laatste sierlijke kruispas voor het blokkeren en de bloei van het gehele lijf richting de wolken, benadert de perfectie. Een choreografie waarin de zwanenzang van de werper die zijn speer loslaat zijn reïncarnatie door de lucht al inluidt.

Als speerwerpen een religie is, dan kan alleen Jan Zelezny de onbetwiste profeet ervan zijn. De slanke Tsjech heeft niets aan de brute spiermassa van klerenkasten als Steve Backley of Boris met de omgekeerde pet. Hij bezit een rechter arm tegen welke de snelheid van het licht U zegt. Zijn laatste vijf passen zijn zo dynamisch dat hij, tussen de afworp en de streep, twee keer zoveel ruimte nodig heeft om zijn poging geldig te houden. En terwijl de speer in de lucht zweeft, strijdt Zelezny nog op de grond. In twee passen om zijn krankzinnige snelheid, in een ultieme spagaat, twintig centimeter voor de streep te vermoorden. Dan wordt Jan Zelezny de uitgeputte albatros uit het poëem van Rimbaud die zijn landing op een reddend schipsdek heeft voltooid.