Tweeërlei perspectief

Het duidelijkste is het in een vliegtuig, het verschil tussen daar waar je bent, en daar waar je niet bent. In de cabine is het nu en hier, het geloei van de motoren en de airconditioning, de geur van het vliegtuigeten, de zon die blinkt op de vleugel, het geduw tegen de rug van je stoelleuning door degene die achter je zit. Beneden is geen leven zichtbaar. Bergen, een kronkelende rivier ertussen, soms iets dat wel een plaatsje zal zijn. Geen mensen. Iedereen weet dat ze er wel zijn, dat daar ergens beneden in die abstractie iemand in een auto zit en meeneuriet met de radio, dat er een rij staat bij de bakker en een man woedend door een telefoon zit te brullen, maar écht is dat allemaal niet. Echt wordt de rest van de wereld pas weer bij de landing.

Het is hetzelfde gevoel dat ze in Italië moeten hebben, waar niemand Engels spreekt zoals Marc Leijendekker afgelopen zaterdag beschreef. Ze hebben daar het gevoel dat Italië de wereld is, totdat Italianen ineens internationale politiek moeten bedrijven, topsporter zijn en in Sydney zitten of op een andere manier in de werkelijkheid belanden. Bij zijn grappige stukje was een kaartje afgedrukt waarop een groot deel van deze kant van de aardbol zichtbaar was, een pijltje wees naar een miniem wormpje dat Italië voorstelde. Hoe ze het in hun hoofd halen, die lui daar in die worm, om te denken dat ze de rest niet nodig hebben. Dat ze überhaupt bestaan daar.

Het is ongeveer het verschil tussen het perspectief van een dwerg en het perspectief van God. En wij zijn die dwerg. En elk van die dwergen is op zichzelf en voor zichzelf weer een wereld, een wereld die te groot is om te kennen. Er is geen einde aan de mogelijke detaillering.

Aan de zuidkust van het eiland Lesbos hing afgelopen donderdag ineens een sterke teerlucht, alsof men grootscheeps bezig was de straat te asfalteren. De zee was blak en stroperig, `als olie' zeiden we, terwijl we er gelukzalig in ronddreven. De volgende ochtend was de teerlucht weg, het roze ochtendlicht scheen op de bergen, de zon piepte als elke ochtend vanachter een kaapje te voorschijn, het water was zacht en ochtendlijk, de wereld was enorm in die toevallige uithoek. Een paar uur later hing de teerlucht er weer. Nog een uur later spoelden dikke zwarte golven over de rotsen van het kleine haventje, spatte het zwart op de witte kiezels, zwommen onnozele visjes hun dood tegemoet. `Katastrofi' zei een vrouw bijna huilend en een paar mannen probeerden geheel zinloos met een hark de olie weg te duwen. De hele wereld verging daar. Is daar nu aan het vergaan.

Hoe groot alles wordt als je maar dichtbij genoeg komt. Hoe belangrijk alles dan ook wordt. Nu is een olielozing, want dat zal het wel geweest zijn, natuurlijk niet onbelangrijk, maar toch vermoed ik dat de meeste mensen hun schouders ophalen over het nu stinkende zwarte vissershaventje op het al evenmin erg internationaal meespelende Lesbos – het nieuws haalt wellicht de Griekse kranten maar veel verder zal het niet komen. Volgend jaar zijn strand en haven misschien alweer wat schoongemaakt. En over een paar jaar zeggen twee bezoekers die daar nu geschokt staan te kijken: Weet je nog, toen die olievlek? Oh ja, waar was dat ook weer? Kreta hè?

Soms lijkt het met het leven enigszins zo te zijn als met natuurkunde: de kunst is om de theorieën over de heel grote dingen, zwarte gaten, het uitdijend heelal, de oerknal, te verenigen met die over het allerkleinste, de quantummechanica, elementaire deeltjes, protonen, quarks. Het lijkt vaak of die twee uiteinden niets met elkaar te maken hebben. Of wat wij weten over ons bestaan, over de kortheid ervan ten opzichte van de vele eeuwen, millennia of miljoenen jaren waarmee andere onderdelen van bestaan gemeten worden, niet doordringt in onze dagen. Elke dag is een leven zolang hij geleefd wordt, en niets als hij voorbij is. Het perspectief op het eigen leven is moeilijk enigszins permanent te houden. Dat moet misschien ook niet, de kunst zal wel weer zijn om geregeld te wisselen tussen de myopische blik en het eeuwigheidsperspectief en alle gradaties die daartussen zitten.

Op Lesbos, waar het leven was teruggebracht tot avondlicht op pannendaken, zonsop- en ondergang, muziek, lome gesprekken in de schaduw, huid, Griekse woordjes, tot een heleboel details kortom die door geen enkele grotere theorie of langjariger leven bij elkaar werden gehouden, las ik aan een strand dat bewaakt werd door een hoge rots in de schitterende bloemlezing Bittere oogst die Gerard Rasch uit de Poolse poëzie van de 20ste eeuw heeft samengesteld, een gedicht van Ceslaw Milosz, een van de twee Poolse Nobelprijswinnende dichters. Dat gedicht ging juist over het totaal andere perspectief, over hoe nauwelijks wij er maar zijn, hier op aarde, hoe bijna alles langer bestaat en meer meemaakt dan wij. Een tafel bijvoorbeeld. Twee gedichten wijdde Milosz eraan, aan die tafel waaraan al eeuwen geleden mensen zaten. Andere mensen, die ook leefden en bestonden en een wereld waren. Net als wij `zo sterfelijk dat we nauwelijks leven'.

Milosz heeft het over het besef van voorbijgaan van de tijd: ,,Ik dacht dat ik de stilzetting van de tijd zou afsmeken,/ maar ik leer me verzoenen, zoals anderen voor mij''. Juist daar waar we zo hevig in leven zijn dat elk detail ons verrukt, brengt dat geluk een sterk tijdsbesef mee, het besef dat dit niet voor altijd, misschien zelfs niet eens voor over een jaar is. En men leert zich verzoenen, jawel.

,,En ik kijk slechts naar wat hier zal

blijven:

de messen met een hoornen heft en

tinnen schotels,

het blauwe aardewerk, sterk hoewel breekbaar,

en, als een wachter-rots tussen

de woelige baren,

glimmend geboend, deze zware tafel van hout.''