Noodvoorraad olie

De westerse landen (inclusief Japan) die deel uitmaken van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs worden sinds 1974 verplicht noodvoorraden aardolie en/of olieproducten aan te houden. In principe moeten de voorraden gelijk zijn aan ten minste 90 dagen van de `netto-import', dat is de import minus de export en bunkering.

Het IEA geeft regeringen de vrije hand in de keuze van de beheerder. Nederland heeft een noodvoorraad van 4,8 miljoen ton ruwe-olie equivalenten (overeenkomend met ongeveer 35 miljoen vaten). Daarvan ligt 1,8 miljoen ton bij het bedrijfsleven en staat 3 miljoen ton onder beheer van de stichting Cova (Centraal orgaan voorraadvorming aardolieproducten), die onder het ministerie van Economische Zaken resorteert. Het IEA onderscheidt twee situaties waarin een beroep kan worden gedaan op de noodvoorraden. De zwaarste is die waarbij ten minste 7 procent van de olieaanvoer naar een of meer van de IEA-staten feitelijk wegvalt.

Maatregelen: inzet van de noodvoorraden, rantsoenering en omschakeling op alternatieve brandstoffen. Voor minder ernstige situaties zijn er beperkte maatregelen die in IEA-overleg worden afgekondigd.