Jonge dirigenten zijn wel erg oud

Anders dan het Kondrasjin Dirigentenconcours draait de Kondrasjin Meestercursus voor Jonge Dirigenten niet om winnen of verliezen. Voor de zesendertigste editie van de cursus, waarin ooit Bernard Haitink, Hans Vonk en Edo de Waart vroege schreden zetten, werden uit tachtig internationale aanmeldingen zestien kandidaten geselecteerd, die een maand studeerden met het Radio Kamerorkest en het Radio Symfonie Orkest en hun chef-dirigenten Ton Koopman, Peter Eötvös en Eri Klas

Op het slotconcert gisteravond in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw presenteerden vijf van die zestien dirigenten, geselecteerd door Eri Klas, hun vorderingen in werken van zeer verschillende aard. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers bleek relatief hoog. Australiër Kynan Johns (1975) was met voorsprong de jongste tussen de verder uit dertigers bestaande selectie, waardoor een deel van de dirigenten het predikaat `jong' zowel in uitstraling als in curriculum eigenlijk al was ontstegen.

Omdat het cursusdeel eigentijdse muziek onder leiding van Peter Eötvös al in de Gaudeamus Muziekweek werd afgesloten en het aandeel van Ton Koopman niet uitmondde in een openbaar concert, lag gisteravond de nadruk op klassiek en romantisch repertoire. De Duitse dirigente Silke Löhr (1966) beet het spits af met Webers ouverture Oberon en maakte indruk met haar fijnzinnige slagtechniek. Haar visie op Weber getuigde van plezier in de muziek en gevoel voor theatrale opbouw, waardoor zij het Radio Symfonie Orkest aanzette tot een aanstekelijke uitvoering.

In vergelijking met Löhr wachtte Kynan Johns een muzikaal veel zwaardere opdracht. Eri Klas, die de werken aan de deelnemers toewees, gaf de jongste student met Beethovens technisch veeleisende Vierde symfonie de moeilijkste taak. Johns beet zich innemend energiek en met veel `Sturm und Drang'-amplomb in Beethoven vast. Maar omdat zijn aanpak primair was gericht op de frasering, bleef de overkoepelende spanningsboog niet in tact en kwamen ook verticale aspecten als balans en helderheid aandacht tekort.

De leeftijdsgenoten Kiyotaka Teraoka (1966) uit Japan en Mark Powell (1966) uit de Verenigde Staten leidden allebei de helft van Moessorgski's Schilderijententoonstelling en bleken in gezag en gevoel voor drama aan elkaar gewaagd. Teraoka opende met een heroïsche Promenade en bewees zich in staat tot zowel zinderende zwaarte als lichtvoetigheid. Meer bonvivantesk klonk de aanpak van Mark Powell, die ondanks een wat bedaarde uitstraling zorgde voor een indrukwekkend expressief slot van Moessorgski's cyclus.

In podiumuitstraling was de Franse dirigent Michaël Cousteau (1967) de mindere van Teraoka en Powell, en toch was juist hij het die met zijn ingetogen en evenwichtige uitvoering van Debussy's Prélude à l'après-midi d'un faune getuigde van de grootste rust en muzikale rijpheid. De manier waarop hij de orkestklank van dik naar dun liet vervloeien schepte zelfs ruimte voor ontroering, en daarin was Cousteau, geholpen door het werk dat hem was toegewezen, bij de lichting Kondrasjin-studenten 2000 uniek. Dat ook prille excentriciteiten gedurende dit slotconcert vergeefs werden gezocht kwam de kwaliteit van de uitvoeringen zeker ten goede, maar verminderde de sfeer van jeugdig elan die zou ontstaan als de cursus een wat zwaardere nadruk zou leggen op écht jonge dirigenten van onder de dertig.

Concert: Kyrill Kondrasjin Meestercursus. Gehoord: 24/9 Concertgebouw, Amsterdam.