Ik lach om niet te huilen

Komt meneer Cohen bij de dokter, zegt-ie: ,,Dokter, ik ben 27 jaar getrouwd, ik heb 26 kinderen, ik weet me geen raad, wat moet ik doen?'' Zegt die dokter: ,,Niks.''

Of deze: Moos is overleden en Bram wil Saar troosten. Bram gaat naar het huis van Saar en daar aangekomen ziet-ie Saar in bed liggen met een wildvreemde man. Zegt-ie: ,,Saar, wat maak je me nou?'' Zegt Saar: ,,Ach, wat een mens niet doet in z'n verdriet.''

Of enkele tienduizenden andere moppen. Bij zijn dood liet Max Tailleur een kaartsysteem met 50.000 moppen na. Hij had een opvolger willen vinden, die de traditie had kunnen voortzetten op basis van zijn levenswerk. Maar hij bleek een eenling te zijn in de Nederlandse amusementsgeschiedenis; met hem stierf ook de professionele moppentapper. Geen enkele cabaretier haalt zijn neus op voor een goede mop, maar maakt er alleen gebruik van als die als een logisch onderdeel kan worden verwerkt in een doorlopende tirade. Voor de losse mop is op het beroepspodium geen emplooi meer.

Max Tailleur (1909-1990) is de hoofdpersoon van de radioserie De Tranen van Tailleur, die vanaf vanavond te horen is in het VPRO-programma De Avonden. In vier afleveringen reconstrueert samensteller Micha Wertheim leven en werken van een wonderbaarlijk artiest, die na twaalf ambachten en dertien ongelukken een loopbaan wist te maken van wat hij in de kleedkamer als geen ander kon: het vertellen van moppen. In het radiovierluik – een klankbeeld van gedegen, traditionele makelij – is veelvuldig te horen hoe hij dat deed: nasaal, met een slepende stem, een onvervalst jiddische tongval en enig tevreden binnensmonds grommen na de clou.

In sneltreinvaart vat Wertheim in de eerste aflevering de voorgeschiedenis samen: de vooroorlogse pogingen om artiest te worden, de vlucht naar Zwitserland tijdens de oorlog en het gebrek aan blijvend succes in de eerste naoorlogse jaren. Al snel heeft hij de man waar hij hem hebben wil: in 1952, toen Tailleur min of meer bij toeval de kans kreeg een café-achtige club (De Doofpot) aan het Rembrandtplein in Amsterdam te openen. ,,Het leek zo'n dwaas idee om een zaak te beginnen die louter en alleen op moppen was gebaseerd'', zegt de onlangs overleden cabarethistoricus Wim Ibo verbaasd terugblikkend, maar die zaak bleef tot 1966 draaien.

En ook daarbuiten oogstte Max Tailleur alom succes. Van elke grammofoonplaat verkocht hij tienduizenden exemplaren, van de moppenboekjes gingen er in totaal 1,6 miljoen over de toonbank en later, toen hij om medische redenen niet meer optrad, exploiteerde hij de lucratieve Geinlijn: een mop per dag over de telefoon. Intussen ergerde hij de gevestigde fondsenwervers met een eigen stichting voor reuma-patiënten, die in de topjaren veel geld inzamelde.

Wat destijds minder naar buiten kwam, was het feit dat Tailleur eveneens weerstand opriep in joodse kringen. Sommige overlevenden van de oorlog vonden het smakeloos dat hij zijn nadrukkelijk-joodse uitstraling zo uitbuitte. Zo zegt de zangeres Jetty Paerl, die korte tijd in De Doofpot optrad, dat ze het `eigenlijk een beetje naar' vond om te zien hoe een niet-joods publiek zich daar op de dijen zat te kletsen van het lachen. ,,Max Tailleur herinnerde ons er continu aan dat we joods waren'', schrijft Ed van Thijn in zijn recente memoires, ,,wat we nu juist niet wilden.''

Het ingewikkelde van deze kwestie is echter, dat Tailleur het oorlogsverleden allerminst negeerde. Zijn lijfspreuk luidde zelfs: ,,Ik lach om niet te huilen'', Ibo valt hem bij door een gelijksoortige uitspraak van Godfried Bomans te citeren: ,,Humor is overwonnen droefheid.'' Veel te lachen valt er in deze serie dan ook niet, maar te horen des te meer.

De Tranen van Tailleur, in De Avonden, Radio 5, 22.10-22.45u.