Filmers malen niet om imago

Op buitenlandse festivals zijn ze welkom, maar in Nederland worden ze slecht bezocht. Waarom gaan Nederlanders niet naar Nederlandse films?

Het imago van de Nederlandse film was het onderwerp van discussie, gisteren tjdens het Nederlands Film Festival in Utrecht. Onder de noemer `Best aardig voor een Nederlandse film' discussieerden reclamemaker Frans Brand, Claudia Landsberger van Holland Film, filmsocioloog Bart Hofstede, filmjournalist Hans Beerekamp, publiciteitsagent Monique van Schendelen en filmproducent/Ketelhuis-voorzitter Marc van Warmerdam met elkaar aan de hand van zelf ingebrachte stellingen. Tweede Kamer-voorzitter Jeltje van Nieuwenhoven die de middag leidde wilde niet dat het zou gaan over die ene film die het negatieve imago van de Nederlandse film zou bevestigen of ontkrachten. Ook sprak ze, vergeefs, de hoop uit dat een groot deel van de discussie een probleemoplossend karakter kon hebben.

Volgens sommige sprekers valt het wel mee met het negatieve imago van de Nederlandse film. Hofstede, auteur van De Nederlandse cinema wereldwijd. De internationale positie van de Nederlandse film merkte bijvoorbeeld op dat Nederlandse films het op de televisie heel goed doen, wat betekent dat ze uiteindelijk veel meer publiek trekken dan de enkele tienduizenden bezoekers die doorgaans voor een Nederlandse film naar de bioscoop gaan. Ook Landsberger, belast met de promotie van de Nederlandse film in het buitenland, constateerde op dat er op buitenlandse filmfestivals veel vraag naar Nederlandse films is. Het afgelopen jaar werden er ruim 200 films op 193 buitenlandse festivals vertoond. Beerekamp tenslotte was van mening dat het imago van de Nederlandse film negatiever is dan de kwaliteit van de afzonderlijke films rechtvaardigt. Hij gaf hier een aantal oorzaken voor, bijvoorbeeld de geringe ontwikkeling van een filmcultuur in Nederland en het streven naar een op de situatie in de Verenigde Staten gestoelde filmindustrie, met het daarbij behorende `graaigedrag' van producenten.

Feit blijft dat Nederlandse films slecht worden bezocht, maar geen van de aanwezigen wist daar een instant oplossing voor te bedenken. De in Hollywood werkende producent Pieter Jan Brugge gaf vanuit de zaal aan dat de Nederlandse situatie niet uniek is, zelfs vergelijkbaar met die in de VS. Hij sprak ook uit wat in Nederland vaak nog als taboe wordt beschouwd, namelijk dat filmmakers en producenten zich enerzijds beter bewust moeten zijn van het publiek waarvoor ze een film maken en dat er anderzijds een discussie op gang moet komen over de vraag hoe je de nationale filmcultuur kunt beschermen. Van Schendelen bevestigde dat door te zeggen dat filmmakers vaak onrealistische hoge verwachtingen hebben van wat hun film aan bezoekers zou kunnen trekken.

Er viel nog wat gemopper op de filmpers te horen, die te kritisch ten aanzien van het eigen product zou zijn. En ook het bioscoopbedrijf, met zijn doekentekort, slechte service en comfort, kreeg er van langs. Beerekamp: ,,Het Nederlands bioscoopbedrijf is de zieke man van Europa.''

Ook al leverde het weinig nieuwe inzichten op, het is toe te juichen dat men zich in Utrecht niet alleen maar wentelt in zelfgenoegzaamheid, maar op haar eigen feestje ook de schaduwzijde van de Nederlandse filmproduktie wil onderzoeken. Grote afwezige op deze middag waren de makers zelf, alsof alles wat de Nederlandse film aangaat alleen maar door marketeers, reclamemakers en beleidsmensen wordt bepaald.

,,Nederland heeft de afgelopen tien jaar drie Oscars gewonnen, we zouden ons nu moeten concentreren op onderscheidingen van festivals die zich meer op artistiek hoogstaande films richten zoals Cannes en Venetië. Gouden Palmen in plaats van Oscars. Dat zou een zeer positieve bijdrage kunnen leveren aan de imagoverbetering van de Nederlandse film'', meende Beerekamp. In dat licht is het schrijnend dat de enige Nederlandse film sinds jaren die dit jaar voor Cannes was geselecteerd, Jacky van Fow Pyng Hu en Brat Ljatifi, ontbreekt in alle nominatielijstjes voor Gouden Kalveren.