Zwakke euro vereist andere keuzes kabinet

De zwakte van de euro is niet alleen een monetaire kwestie maar heeft ook ingrijpende gevolgen voor de economie en het maatschappelijk leven in Nederland, meent

De euro heeft zijn glans verloren op de valutamarkten. Sinds de invoering is de munt zo'n 25 procent gedaald ten opzichte van de dollar. Voor Nederland is dit extra wrang. De gulden was al voordat deze werd gekoppeld aan de euro te goedkoop in verhouding tot de andere deelnemende munten. Maar wegens de vaste verhouding van de gulden ten opzichte van de Duitse mark, werd dit geaccepteerd. Door de daling van de euro is deze onderwaardering nu uitgebreid tot derde landen, zoals de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Japan.

Met grote halsstarrigheid verkondigen de autoriteiten dat de zwakke positie van de euro te wijten zou zijn aan het feit dat de Amerikaanse economie sterker groeit dan de economieën van de landen die meedoen met de euro. Dit is echter de halve waarheid: de euro is immers ook zwak ten opzichte van de yen, terwijl de groei binnen `euroland' sterker is dan die van Japan.

Een relatief sterke groei kan werken als een tweesnijdend zwaard. Deze kan zeer wel gepaard gaan met een tekort in het buitenlandse handelsverkeer, zoals in de VS het geval is. Op grond hiervan zou de dollarkoers juist omlaag moeten gaan. Dat de dollarkoers per saldo in waarde stijgt wordt veroorzaakt door de kolossale omvang van de kapitaalimport: buitenlandse beleggers en ondernemingen willen graag profiteren van de bloei van de Amerikaanse economie.

Wil bij een sterkere groei van de Europese economieën eveneens kapitaalimport plaatshebben, dan is het noodzakelijk dat voldoende vertrouwen bestaat in de waardeontwikkeling van de euro. Het is dubieus of de basis voor een dergelijk vertrouwen aanwezig is.

In de eerste plaats kan binnen `euroland' niet een consistent monetair beleid worden gevoerd. Hiervoor is de economische situatie van de deelnemende landen te uiteenlopend. Een monetaire maatregel, zoals een renteverhoging, die goed is voor het ene land, is slecht voor het andere. De bewegingsvrijheid van Duisenberg als president van de Europese centrale bank is niet vergelijkbaar met die van Greenspan als leider van de Federal Reserve, het Amerikaanse stelsel van centrale banken.

Zeker zo belangrijk is het voornemen de Europese Unie met een groot aantal Midden- en Oost-Europese landen uit te breiden. Deze landen hebben allemaal zwakke valuta en een zwakke economie. Deze nieuwkomers zijn ook kandidaat om tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) toe te treden en de euro in te voeren, al zal de feitelijke aansluiting nog jaren op zich laten wachten. Dit perspectief ondermijnt het vertrouwen in de euro.Om beide redenen, het niet consistente monetair beleid en de uitbreiding naar het Oosten, is het onwaarschijnlijk dat een versterking van de groei in de landen van de euro-landen voldoende zal zijn om een einde te maken aan de geringe robuustheid van hun munt.

Sommige gevolgen van de zwakke euro zijn voor de hand liggend. Reisjes naar Amerika of Engeland zijn sinds de introductie van de euro een stuk duurder geworden. De fietsenbranche heeft geduchte prijsverhogingen aangekondigd, omdat veel onderdelen uit Japan moeten worden ingevoerd. De brandstofprijzen worden in dollars genoteerd. De euro-landen lijden dus niet alleen onder de stijging van de dollarprijs van ruwe olie, maar ook onder de sterke waardedaling van de euro.

De invloed daarvan reikt ver. Reeds voor de introductie van de euro draaide de Nederlandse economie op hoge, zo niet op volle, toeren. De extra stimulans die exporterende ondernemingen van de zwakke euro ondervinden, is een belangrijke bijdrage aan de omslag naar een overspannen economie. Met name op de arbeidsmarkt zijn knelpunten opgetreden die de lonen omhoog jagen. Op de Nederlandse samenleving heeft deze ontwikkeling een ontwrichtend effect: er ontstaat een tweedeling tussen de marktsector en de collectieve sector, die gefinancierd wordt uit belastinggelden en sociale premies. Instellingen in de collectieve sector leggen het loodje bij het verwerven van schaarse arbeidskrachten omdat het hun aan de middelen ontbreekt om de stijging van de arbeidskosten te volgen.

Het lijkt vergezocht, maar er bestaat wel degelijk een verband tussen de onderwaardering van de gulden, de verzwakking van de euro en verschijnselen als de wachtlijsten in de gezondheidszorg, de vacatureproblematiek in het onderwijs en de vervanging van ambtenaren door ad hoc ingehuurde adviseurs. Er moet een hoge maatschappelijke prijs worden betaald voor de anomalie in de valutaverhoudingen.

De vraag rijst wat ondernomen zou kunnen worden om de gevolgen van de valutaontwikkeling het hoofd te bieden. De meest effectieve oplossing noemen is tegelijkertijd de onhaalbaarheid ervan vaststellen: uit de EMU treden en het euro-blok verlaten. Zelfs uitstel van de invoering van de fysieke euro lijkt onbespreekbaar, hoewel de gedwongen omwisseling van de nationale valuta's in euro's waarschijnlijk zal leiden tot een nieuwe vlucht in dollars, en dus tot een verdere verzwakking van de euro.

De tweede remedie is de wal het schip te laten keren. Daar de loonstijging de toeneming van de arbeidsproductiviteit zal gaan overtreffen, zal per definitie loonkosteninflatie ontstaan. Via de prijsstijging zal de onderwaardering van de gulden dan geleidelijk verdwijnen en de export zal in mindere mate worden gestimuleerd. Het probleem is alleen dat een verbetering van de benarde positie waarin de collectieve sector zich bevindt, dan wel heel lang op zich moet laten wachten.

De derde remedie zou zijn als de overheid, gedragen door de politiek, de onderwaardering van de gulden als een fact of life aanvaardt, en zich ten doel stelt om de gevolgen hiervan voor de collectieve sector te bestrijden. Dit vraagt om een radicale verandering van beleid. Niet verlaging van de staatsschuld is dan het hoogste doel, maar opheffing van de penibele positie van de collectieve sector, ook als dit betekent dat Nederland de voorsprong die het op andere landen heeft genomen door vroegtijdig te saneren, misschien kwijtraakt.

Het heeft bij de huidige overspannen economie weinig zin zonder meer de benodigde miljarden ter beschikking van de collectieve sector te stellen. De strijd om de schaarse arbeidskrachten zou dan slechts worden verhevigd. De vereiste extra ruimte zou ten laste moeten komen van de marktsector: minder belastingverlaging, minder infrastructurele overheidsinvesteringen. Simpel gesteld gaat het om de keus tussen bijvoorbeeld de Betuwelijn ten behoeve van de Rotterdamse haven, of een verkorting van de wachtlijsten in de thuiszorg ten behoeve van de langzamerhand hulpbehoevend geworden `tante Truus'.

Prof.dr. M.P. Gans is emeritus hoogleraar Ondernemingsfinanciering aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.